Kritiek en censuur in de oudheid: het verhaal van Sokrates

Apology Socrates

Aangewakkerd door enkele dramatische gebeurtenissen laaide de discussie over de grenzen van de vrije meningsuiting recentelijk weer helemaal op. Is het vrije woord heilig of dient een maatschappij de vrijheid van meningsuiting enigszins in te perken om de orde te bewaren en het harmonieuze samenleven te faciliteren? Ook in de klassieke oudheid werd reeds met dit vraagstuk geworsteld. In het geval van Sokrates zelfs met bijzonder tragische afloop.

Bij heel wat mensen doet de naam Sokrates wel een belletje rinkelen. Velen leggen zelfs spontaan de link tussen Sokrates en de oude Griekse filosofie. En dat is natuurlijk terecht. Vanwege zijn vernieuwende en consequente kritische houding kan Sokrates in zekere zin beschouwd worden als een vader van de westerse wijsbegeerte. Sokrates zelf zette echter nooit een letter op papier – daar zijn althans geen sporen van. Maar hij gaf ook geen les in de traditionele zin van het woord. Neen, meer dan tweeduizend vierhonderd jaar geleden wandelde Sokrates simpelweg rond in de Griekse stadstaat Athene, op zoek naar gesprekspartners. Sokrates stelde immers vragen en hij onderzocht. Door middel van gesprekken deed hij mensen inzien dat de algemeen aanvaarde opvattingen niet noodzakelijk de juiste of de goede waren en dat ze met behulp van zelf verworven inzicht en redelijke argumenten betwijfeld kunnen worden. Dit was natuurlijk een doorn in het oog van verschillende machthebbers in de stad, die gebaat waren bij een status quo op sociaal en cultureel vlak. Een deel van de elite probeerde dan ook vele jaren lang om Sokrates de mond te snoeren door hem belachelijk te maken en hem weg te honen. Sokrates veranderde echter nooit iets aan zijn opmerkelijke levenswandel en zijn kritische ingesteldheid. Op zeventigjarige leeftijd werd hij daarom aangeklaagd en zelfs veroordeeld tot de doodstraf met de gifbeker, waaraan hij overleed. Als gevolg daarvan kan men Sokrates vandaag nog steeds beschouwen als een symbool van verzet en als een martelaar van de vrije meningsuiting.

Ten tijde van Sokrates leefde ook de veertig jaar jongere Plato in Athene. Beide liepen elkaar geregeld tegen het lijf en Plato raakte na verloop van tijd zo sterk onder de indruk van Sokrates, dat hij besloot om zijn leven te wijden aan de filosofie. Het is vooral via Plato’s magistrale werken dat we ons vandaag een beeld kunnen vormen van de historische figuur Sokrates. Plato schreef namelijk dialogen en liet zijn grote inspirator daarin geregeld optreden als personage. Een belangrijke tekst in dit verband is echter de Apologia, die uitzonderlijk geen dialoog maar nagenoeg een monoloog vormt. In de Apologia wordt door Plato geschetst hoe Sokrates zichzelf verdedigde op het proces dat tegen hem werd aangespannen. Sokrates diende op het einde van zijn leven te verschijnen voor een jury, nadat zijn tegenstanders hem hadden aangeklaagd voor handelingen die men onaanvaardbaar achtte. Men verweet Sokrates dat hij te veel zaken onderzocht, dat hij twijfelde aan het bestaan van de goden, dat hij goedpraatte wat eigenlijk fout was en dat hij de jeugd ook nog eens bedierf door hen al deze dingen bij te brengen. Daarop probeerde Sokrates de argumentatie van zijn aanklagers te doorprikken en de beschuldigingen vakkundig te weerleggen. Dat was geen eenvoudige opdracht aangezien Sokrates de perceptie tegen had. Een groot deel van de aanwezigen op het proces werd reeds van kindsbeen af geconfronteerd met spottende en afkeurende verhalen over Sokrates, die daardoor in vele middens bekend stond als een geducht redenaar die ervan hield om mensen te misleiden.

Plato’s beschrijving van het proces vangt aan op het moment dat Sokrates de menigte begint toe te spreken. Sokrates steekt daarbij van wal met de bewering dat er van het hele betoog van zijn aanklagers – dat net achter de rug is en kennelijk erg overtuigend gebracht werd – eigenlijk helemaal niets klopt. Van hemzelf zouden de toehoorders daarentegen enkel juistheden te horen krijgen. Voor een redenaar moet het namelijk een erezaak zijn om de waarheid te vertellen, net zoals het voor een rechter een erezaak moet zijn om zaken te beoordelen op hun rechtvaardigheid, aldus Sokrates. Iets later stelt hij dat het slechte imago waarmee hij te kampen heeft eigenlijk louter te wijten is aan een bepaalde vorm van wijsheid die hij ooit verwierf. Op een dag had het orakel van Delphi – waar de uitspraken van de Griekse god Apollo door een priesteres werden geopenbaard – namelijk beweerd dat niemand wijzer was dan Sokrates. Toen Sokrates dit vernam, was hij absoluut verbijsterd. Hij besefte immers dat hij helemaal nergens wijs in was. Het orakel moest zich wel vergist hebben, dacht hij. Sokrates vatte het plan op om de twijfel weg te werken en aan te tonen dat het orakel het bij het verkeerde eind had. Daarvoor zou hij zijn toevlucht nemen tot de meest wijze mensen van Athene. Met hen zou hij een discussie kunnen voeren, waaruit vervolgens snel zou blijken dat hij intellectueel de mindere was en dat het orakel zich dus vergist had.

Sokrates wendde zich allereerst tot een gerespecteerd politicus en begon de man vragen te stellen. Daarbij viel het Sokrates op dat de politicus niet enkel door de omstanders erg wijs geacht werd, maar dat hij vooral ook zichzelf erg verstandig leek te vinden. Op basis van het vraaggesprek diende Sokrates echter te besluiten dat de politicus misschien wel dacht wijs te zijn, maar dat hij het eigenlijk niet was. Sokrates kwam namelijk tot de vaststelling dat er heel wat belangrijke zaken waren waarover hijzelf, noch de politicus iets noemenswaardig wist. Maar in tegenstelling tot Sokrates, die goed besefte dat hij over bepaalde zaken niets kon weten, dacht de politicus er wel allerlei waardevolle dingen over te weten. En in een situatie waarin men iets niet weet, achtte Sokrates het veel verstandiger om ook daadwerkelijk in te zien dat men niet weet, dan om te denken dat men wel weet. Daarom moest Sokrates toegeven dat hij zichzelf toch net iets wijzer vond dan de politicus.

Nadat Sokrates via het stellen van vragen had aangetoond dat de befaamde politicus eigenlijk niet zoveel wist als hij dacht te weten, en dus ook niet zo wijs was als algemeen aangenomen werd, reageerde de meerderheid van de toehoorders verbolgen en zelfs kwaad. Zij keerden zich evenwel niet tegen de politicus, maar tegen Sokrates. Dit stemde Sokrates bedroefd, maar toch zette hij zijn onderzoek verder en richtte hij zich tot anderen die wijs geacht werden, zoals schrijvers bijvoorbeeld. Het resultaat was echter steeds hetzelfde en Sokrates wekte enkel meer wrevel op bij de bevolking. Finaal zou hij zich tot de handwerklieden richten. Zij wisten duidelijk dingen die Sokrates niet wist, maar ze begingen aan het einde van de rit toch dezelfde vergissing als de schrijvers. Omdat ze zo behendig en deskundig waren in het uitoefenen van hun eigen vak, gingen ze er verkeerdelijk vanuit dat ze ook kennis bezaten over de meest uiteenlopende andere dingen die niets met hun vak te maken hadden. Sokrates werd met andere woorden telkens geconfronteerd met mensen die dachten dat ze kennis bezaten over dingen waarover ze in feite niets konden weten. En omdat Sokrates zelf nooit dacht of pretendeerde dingen te weten waarover hij in werkelijkheid niets wist, vond hij zijn eigen houding getuigen van meer wijsheid. Zodoende was hij er dan ook niet in geslaagd om de bewering van het orakel te weerleggen.

Omdat Sokrates met zijn onderzoek duidelijk morrelde aan de macht en het aanzien van zijn gerenommeerde opponenten, zouden zij snel een hekel aan hem krijgen. Om Sokrates’ invloed te fnuiken, verspreidden zij al gauw heel wat lasterlijke verhalen over hem. Het is op die manier dat Sokrates zijn kwalijke reputatie verwierf. Tegelijkertijd kreeg hij echter ook het etiket van wijze opgekleefd. Telkens Sokrates aantoonde dat een bepaalde redenering mank liep of geen steek hield, veronderstelde een deel van de toehoorders dat hij een specialist was in de betreffende materie. Maar het enige wat Sokrates probeerde, was om logisch en consequent te redeneren zonder idee-fixen of taboes.

Uiteindelijk kwam Sokrates tot de conclusie dat een van de goden, Apollo, via het orakel geprobeerd moest hebben om duidelijk te maken dat de menselijke wijsheid niet veel voorstelt in vergelijking met de goddelijke wijsheid. Dat in de spreuk van het orakel precies naar Sokrates verwezen werd, diende slechts om met een concreet voorbeeld te beklemtonen dat de grootst mogelijke wijsheid die voor de mensheid te bereiken valt, bestaat in het inzicht dat haar wijsheid sterk beperkt is. Volgens deze redenering was de meest wijze mens dan ook diegene die besefte dat hij niet zo heel veel weet. Nadat Sokrates de ware toedracht van de spreuk begrepen dacht te hebben, beschouwde hij het als zijn plicht om de godheid te assisteren bij het verspreiden van zijn boodschap. Daartoe zou hij op aarde trachten aan te tonen dat de zogenaamde wijzen in feite niet zo bijster wijs waren. Sokrates nam deze opdracht dermate ernstig dat hij nauwelijks nog tijd had om op andere vlakken iets opmerkelijks te verwezenlijken. Naar verluidt leefde hij in grote armoede, droeg hij steevast dezelfde lompen en zwierf hij blootsvoets door de straten van Athene om zijn missie te volbrengen.

Een heel aantal jongeren vond het bijzonder boeiend – en waarschijnlijk ook wel grappig – om te horen en te zien hoe Sokrates zijn gesprekspartners ondervroeg en in het nauw dreef. Deze jongeren volgden Sokrates zoveel mogelijk op zijn weg, zodat ze het intellectuele steekspel van dichtbij konden meemaken. Vervolgens ontmoetten ze op hun eigen pad zelf ook verschillende figuren die de waarheid meenden te verkondigen. Het gevolg daarvan laat zich natuurlijk raden. Beïnvloed als ze waren, begonnen de jongeren eveneens mensen te ondervragen en hen het vuur aan de schenen te leggen. Dit werd hen meestal niet in dank afgenomen. De misnoegde gesprekspartners richtten hun toorn echter niet op de jongeren zelf, maar wel op Sokrates, die zij beschouwden als de bron van alle kwaad. Sokrates had na verloop van tijd zoveel invloedrijke mensen tegen zich in het harnas gejaagd, dat ook het aantal kwalijke verhalen dat over hem de ronde deed niet meer bij te houden viel. Zoals gezegd leidde dit uiteindelijk zelfs tot een aanklacht en een proces.

In zijn verdedigingsrede probeerde Sokrates de roddels en beschuldigingen aan zijn adres zorgvuldig te ontkrachten. Zo toonde hij onder meer aan dat hij wél in de goden van Athene geloofde. Dat leed overigens weinig twijfel, maar werd door zijn aanklagers voornamelijk aangevoerd om hem in een slecht daglicht te kunnen stellen. Sokrates wist evenwel dat hij het proces niet zou kunnen verliezen op basis van zijn vermeende ongelovigheid, maar wel op basis van zijn slechte reputatie. Men kan zich nu afvragen waarom Sokrates doorheen zijn leven niet beter op zijn hoede is geweest voor de schade die zijn reputatie hem uiteindelijk kon berokkenen. Door wat meer op de achtergrond te blijven en wat minder mensen voor het hoofd te stoten, had hij zichzelf heel wat ellende kunnen besparen. Maar Sokrates hield zich niet bezig met het afwegen van risico’s en al helemaal niet met het naar de mond praten van prominente burgers. Het enige waar het hem om te doen was, was rechtvaardigheid en het goede handelen. Een mens die ook maar iets voorstelt, is namelijk niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen, zelfs niet als de dood daarbij op de loer ligt. Neen, zo’n mens houdt zich slechts bezig met de rechtvaardigheid van zijn daden. Een belangrijk aspect van het goede of rechtvaardige handelen bestond voor Sokrates in het gehoorzamen van zijn meerderen. Deze meerderen konden zowel mensen als goden zijn, maar Sokrates sloeg deze laatste groep duidelijk hoger aan. En het was nu eenmaal een godheid die hem had aangezet tot het belijden van de filosofie en het onderzoeken van zichzelf en alle anderen. Aan zo’n opdracht kon hij als gewone sterveling gewoonweg niet verzaken. Tot het einde van zijn dagen zou hij zich daarom onverstoorbaar wijden aan het prikkelen van zijn medeburgers. Dat het goede leven niet draaide om geld, macht en aanzien, maar wel om inzicht, waarheid en vervolmaking van de ziel, was de boodschap die hij daarbij actief uitdroeg. “Een leven zonder onderzoek is het niet waard om geleefd te worden”, luidt dan ook de beroemde uitspraak die aan Sokrates wordt toegeschreven en die in de Apologia terug te vinden valt. Voor hem bestond er doodeenvoudig geen andere optie dan het openlijk, kritisch en vrijuit analyseren en bediscussiëren van maatschappelijke ideeën en problemen.

Met een bijzondere vergelijking verzocht Sokrates de jury ten slotte om hem te beschouwen als een geschenk van god. Sokrates vergeleek zichzelf namelijk met een stekende horzel die door een god op aarde was gezet en die de stad op de huid diende te kleven. De stad vergeleek hij dan weer met een groot en edel maar log paard, dat soms de stekende sporen in de zij moet voelen om gestimuleerd en vooruit gedreven te worden. Het was daarom in dienst van god en in het algemeen belang dat hij zich bezighield met het opwekken, berispen en aansporen van individuele burgers, stelde hij. Hierna riep Sokrates de jury op om hem te sparen, maar hij hield er rekening mee dat men zou reageren als iemand die in zijn slaap gestoord wordt en geïrriteerd in het rond begint te slaan. In dat geval zou men hem gewoon ter dood veroordelen om nadien weer rustig verder te kunnen slapen.

En zo geschiedde. Sokrates werd met een kleine meerderheid van de stemmen veroordeeld en als sanctie werd de doodstraf voorgesteld. Sokrates weigerde aanvankelijk een tegenvoorstel te formuleren, hoewel dat toegestaan was. Hij wist namelijk totaal niet welke straf iemand verdiende die ervoor gekozen had om zijn leven te wijden aan iets anders dan aan het gangbare ambiëren van politieke of militaire functies en het nastreven van financieel gewin. Eigenlijk, wierp Sokrates de jury vervolgens toe, verdiende een arme stakker zoals hij, die zijn leven vrijwillig wijdde aan het algemeen belang, het om uitgenodigd te worden in het prytaneion, een plek waar burgers met bijzondere verdiensten te eten kregen op kosten van de gemeenschap. Sokrates weigerde resoluut om voor zichzelf een celstraf, een hoge geldboete of een verbanning voor te stellen, hoewel de kans groot was dat hij er daardoor beter vanaf zou komen. Hij achtte zich namelijk nergens schuldig aan en vond het daarom onrechtvaardig om een straf te suggereren en berouw te tonen. Iets later zou Sokrates dan toch een geldboete van één luttele mina voorstellen, wat binnen zijn uiterst kleine budget paste en waarvan hij naar eigen zeggen geen nadeel zou ondervinden. Enkele vrienden van Sokrates, waaronder Plato, zagen in dat de jury deze voorstellen van Sokrates vermoedelijk interpreteerde als een erg misplaatste blijk van spot en arrogantie. Ze overtuigden Sokrates er daarom van om ondanks alles toch een boete van dertig mina voor te stellen, waarvoor zij dan borg zouden staan. Dit mocht evenwel niet baten en met het nogmaals uitspreken van de doodstraf werd het lot van Sokrates definitief bezegeld.

Sokrates leek niet verbaasd te zijn door deze uitspraak. Bang om te sterven bleek hij evenmin. Indien hij angst zou koesteren voor de dood betekende dat namelijk dat hij zou denken dat hij iets wist over iets waarvan hij eigenlijk geen flauw benul had. Zoiets beschouwde hij als domheid van de ergste soort. Later voegde hij daaraan toe dat de dood volgens hem maar twee dingen kon betekenen. Ofwel zou de overledene geen enkel besef meer hebben en opgaan in een soort van niets, ofwel zou de ziel van de overledene, zoals in sommige mythes werd beweerd, verhuizen naar een andere plaats. Beide waren prima voor Sokrates. In het ene geval zou hij nergens last van hebben en in het andere geval zou hij op zijn nieuwe plaats kunnen doorgaan met het ontmoeten en bevragen van anderen, wat hem een prettig vooruitzicht leek.

Voor Sokrates was het uur gekomen om te gaan. Voor hem leidde de weg nu naar de dood, de andere aanwezigen bleven op het pad der levenden. Wie de beste toekomst wachtte, was een geheim voor iedereen, behalve voor de goden van Athene.

Deze tekst werd gebaseerd op Plato’s Apologia Sokratous, vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf:
Plato, Warren, H. (vert.) en Molegraaf, M. (vert.), 2012. Apologia Sokratous. In: Plato, H. Warren (vert.) en M. Molegraaf, 2012. Plato. Verzameld Werk I. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, pp. 283-317.

Afbeelding gevonden op de website:
https://urbantimes.co/2011/08/athens-from-democracy-to-hemlock-9-10-downfall-death-legacy/socrates-on-trial-3/

Dit stuk verscheen eerder op DeWereldMorgen.be (20/03/2015)