Mouffe, Vranken en Van Parijs over ongelijkheid: een verslag

Vorige week vrijdag (13/02) vormde het Brusselse Kaaitheater het decor voor een groot debat over sociale ongelijkheid en de crisis van de democratie. Onder leiding van MO-hoofdredacteur Gie Goris werden deze kwesties belicht door Chantal Mouffe, Jan Vranken en Philippe Van Parijs. We zetten de standpunten die door deze befaamde academici verkondigd werden kort uiteen.

Kloof tussen arm en rijk nooit groter
Alvorens de drie sprekers met elkaar in debat konden treden, werd hen elk twintig minuten de tijd gegund om zichzelf in te leiden en de eigen theoretische positie af te bakenen. Jan Vranken, die als socioloog aan de Universiteit Antwerpen jarenlang werkte rond armoede, ongelijkheid en sociale uitsluiting, was als eerste aan zet. Hij opende zijn betoog met de stelling dat de kloof tussen arm en rijk in de Europese Unie nooit groter was dan vandaag. Daarom is het volgens hem de hoogste tijd dat de beleidsmakers hier aandacht aan besteden. Vervolgens haalde Vranken het werk van de Franse econoom Thomas Piketty aan om erop te wijzen dat sociale ongelijkheid geen ongelukkig toeval is, maar een inherente eigenschap van het kapitalisme – dat vandaag trouwens in de eerste plaats een ‘patrimoniumkapitalisme’ blijkt te zijn, waarbij rijkdom vooral overgeërfd wordt. Deze inzichten leken Vranken te brengen tot de conclusie dat het kapitalisme hervormd moet worden. Daarnaast wees hij er wel op dat de inkomensongelijkheid in België niet gestegen is zoals in andere landen, maar dat ze min of meer gelijk bleef of zelfs wat teruggeschroefd werd, wat uitzonderlijk is en te danken zou zijn aan onze sociale voorzieningen.

Verwijzend naar het onderzoek van de Britse academici Richard Wilkinson en Kate Pickett voerde Vranken daarna aan dat een vergroting van de sociale ongelijkheid leidt tot een vergroting van heel wat maatschappelijke problemen. Een grotere sociale ongelijkheid zou meer bepaald leiden tot meer geweld, meer drugsmisbruik, meer opsluitingen, minder hechte sociale relaties, minder sociale mobiliteit, een slechtere lichamelijke gezondheid, een lagere levensverwachting, enzovoort.

Hoewel men het uiteraard erg vaak over inkomensongelijkheid heeft als men over sociale ongelijkheid nadenkt en discussieert, mag men volgens Vranken echter niet vergeten dat er ook andere belangrijke vormen van ongelijkheid zijn, zoals bijvoorbeeld de grote verschillen in status en macht die we aantreffen in onze samenleving. Ook het fenomeen armoede wordt volgens Vranken vaak niet helemaal correct begrepen. Dikwijls legt men de klemtoon namelijk uitsluitend op een gebrek aan economische middelen. Vranken zelf beschouwt armoede daarentegen als een netwerk van uitsluitingen en als een multidimensioneel fenomeen dat zeker niet te beperken valt tot haar economische aspect. Belangrijk aan zijn opvatting is ook dat hij er expliciet van uitgaat dat mensen die in armoede leven de kloof waarmee ze te kampen hebben niet op eigen kracht kunnen dichten.

Eindigen deed Vranken zijn betoog met enkele cijfers. Zo wees hij erop dat er in de Europese Unie vandaag tachtig miljoen mensen in financiële armoede verkeren. Indien men iets andere parameters hanteert en niet enkel focust op financiële armoede, dan blijkt zelfs dat honderdtwintig miljoen mensen, goed voor vierentwintig procent van de Europese bevolking, het risico lopen op armoede en uitsluiting, wat natuurlijk erg veel is. Indien de huidige trends zich doorzetten, aldus Vranken, zal de armoede in 2020, wanneer de Europese Commissie haar Europa 2020 doelstellingen hoopt te bereiken (o.a. het aantal mensen voor wie armoede dreigt met twintig miljoen reduceren), niet verminderd zijn maar gestegen met een procent of vijf.

Ongelijkheid meestal onrechtvaardig: remedies
De internationaal gekende Brusselse filosoof Philippe Van Parijs begon zijn uiteenzetting met de vraag of de globale ongelijkheid wel degelijk gestegen is. Van Parijs beantwoordde deze vraag al gauw zelf door te stellen dat dat inderdaad het geval is, indien men tenminste kijkt naar de inkomensongelijkheid tussen de afzonderlijke landen. Indien men daarentegen de inkomensongelijkheid tussen mensen onder de loep neemt, dan blijkt die globaal gezien gedaald te zijn, wat enerzijds te verklaren valt door de migratiegolven die plaatsvonden (heel wat mensen migreerden naar landen met hogere lonen) en anderzijds door de economische opmars van landen met een enorme bevolking, zoals China en India (waar de lonen van miljoenen mensen stegen).

Een tweede vraag die door Van Parijs gesteld werd, is of ongelijkheid eigenlijk altijd onrechtvaardig is. We leerden vervolgens dat dat wat hem betreft zeker niet het geval is. Van Parijs acht ongelijkheid namelijk niet onrechtvaardig wanneer beginposities gelijk zijn en ongelijkheid resulteert uit persoonlijke keuzes, of wanneer ongelijkheid resulteert uit het profiteren van incentives die uitgekeerd worden voor het verrichten van moeilijke of minder gegeerde jobs in het algemeen belang. Het merendeel van de bestaande ongelijkheden kan echter niet op basis van deze criteria gerechtvaardigd worden en is dus onrechtvaardig, aldus Van Parijs. Daarom moet een manier gevonden worden om die ongelijkheden op te heffen. Van Parijs’ eigen voorstel hiertoe beslaat vier pijlers: 1) de strakke greep van het intellectuele eigendomsrecht verminderen, 2) van ieder leven een ‘lerend leven’ maken, waarbij de werktijd verkort wordt en mensen zich op allerlei vlakken kunnen blijven ontwikkelen, 3) de publieke ruimte omvormen tot ruimte waar maximaal genoten kan worden van immobiliteit (autovrij maken, ‘slow life’) en 4) het invoeren van een zo hoog mogelijk en duurzaam basisinkomen op een zo groot mogelijke schaal (uiteindelijk op wereldschaal).

In het verlengde hiervan werd door Van Parijs opgemerkt dat de klassenstrijd nog steeds een zeker belang heeft, maar dat ze lang niet meer zo’n centrale rol speelt als vroeger. Twee van de meest prangende actuele onrechtvaardigheden hebben volgens Van Parijs bijvoorbeeld niets met het klassieke klassenconflict te maken: de onrechtvaardigheid met betrekking tot het ‘overerven’ van paspoorten en de onrechtvaardigheid die we vandaag creëren voor toekomstige generaties.

Ten slotte brak Van Parijs nog een lans voor maximale transparantie. Volgens hem zijn organisaties en onderzoeken zoals WikiLeaks en Luxleaks niet minder dan een zegen voor onze tijd. Hoe meer zaken aan het licht worden gebracht, hoe meer bewindvoerders immers verplicht worden om hun handelen te verantwoorden en te rechtvaardigen. Hierdoor zouden politici steeds meer gedwongen worden om zich niet enkel in hun discours op het algemeen belang te richten, maar ook in hun concrete handelen.

Radicalisering van de democratie
Volgens de Belgische professor Chantal Mouffe, die politieke theorie doceert aan de Universiteit van Westminster, resulteert de hedendaagse ongelijkheid op Europees niveau uit het financiële kapitalisme en de neoliberale hegemonie. Ten tijde van de sociaaldemocratische hegemonie, waarmee Mouffe vermoedelijk refereert aan de naoorlogse periode vóór het einde van de jaren zeventig, was de kloof tussen arm en rijk namelijk nooit zo groot. Volgens haar volstaat het echter niet om de bestaande situatie simpelweg te remediëren. Wel moeten we de huidige economische logica diepgaand transformeren. Maar wie kan deze logica uitdagen? De zogenaamde linkse partijen alvast niet, stelt Mouffe. Zij zijn namelijk allemaal opgeschoven naar het centrum van het politieke spectrum. Daarom is er een radicalere kracht vereist. Mouffe doelt daarmee niet op een bolsjewistische revolutie of de gewelddadige vernieling van wat dan ook. Wel denkt ze aan een grote protestbeweging die op de been gebracht moet worden en die ijvert voor een pluralistische democratie. Die pluralistische democratie wordt volgens Mouffe bereikt op het moment dat we de representatieve democratie radicaal doortrekken en werkelijk representatief maken. De democratie wordt dan zodanig getransformeerd dat er ruimte ontstaat voor partijen die de neoliberale hegemonie in vraag stellen. Dit uitdagen van de macht en het aanbieden van echte alternatieven is precies waar politiek om draait, stelt Mouffe.

Het dient echter duidelijk te zijn dat Mouffe geen extreem linkse partijen beoogt die ervoor kiezen om langs de lijn te blijven staan en zich niet willen engageren. Wel hoopt ze vurig op een synergetische vervlechting van protest en institutie. Het recente succes van Syriza in Griekenland en Podemos in Spanje stemt haar in dit opzicht hoopvol. Het is volgens haar namelijk precies zo’n links populisme, dat niet louter rationele taal gebruikt maar ook appelleert aan het gevoel, waar we dringend nood aan hebben.

Net zoals Van Parijs stelt ook Mouffe dat er in de hedendaagse samenleving sprake kan zijn van een klassendimensie, maar dat lang niet alle maatschappelijke tegenstellingen terug te voeren zijn tot het traditionele klassenconflict. De klassieke strijd tussen arbeid en kapitaal is dan ook helemaal niet de enige of de belangrijkste strijd die we dienen te voeren. Eveneens dienen we ons bijvoorbeeld sterk te verzetten tegen racisme, de onderdrukking van vrouwen, homofobie en milieuvervuiling, die in wezen niets met de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal te maken hebben. Idealiter worden al deze progressieve strijden verenigd in wat Mouffe een equivalentieketen noemt, zodat een groot tegenhegemonisch blok ontstaat dat de bestaande machtsconfiguratie uitdaagt. Op die manier wordt dan een grote progressieve ‘wij’ (een soort van volk) geconstrueerd en gepositioneerd ten opzichte van een conservatieve, neoliberale ‘zij’, die de politieke tegenstander vormt. Mouffe wees er echter op dat dit construeren van een ‘wij’ voorlopig – jammer genoeg – het best begrepen wordt door rechtse partijen zoals het Front National van Marine Le Pen, dat een duidelijke grens trekt tussen migranten en Fransen. Wel had Mouffe ten slotte nog lovende woorden over voor progressieve en verbindende burgerbewegingen zoals Hart Boven Hard, die volgens haar een stap in de goede richting betekenen.

Vragenronde
Nadat de drie sprekers de thema’s ongelijkheid en democratie vanuit hun eigen vakgebied belicht hadden, kregen zij de kans om één vraag te stellen aan hun collega’s. Veel nieuwe informatie kwamen we daarbij niet aan de weet, wel werden nog enkele interessante uitspraken gedaan. Zo benadrukte Vranken het belang van de klassendimensie in de hedendaagse maatschappij, als reactie op de dingen die Van Parijs en Mouffe daar eerder over hadden gezegd. Van Parijs verklaarde dan weer ‘anti-Rawls’ te zijn in die zin dat hij gelooft dat egalitaire rechtvaardigheid niet beperkt mag worden tot het niveau van een afgebakende gemeenschap, maar dat ze uiteindelijk op globaal niveau kan en moet ingevoerd worden. Tevens gaf Van Parijs toe zich niet te kunnen vinden in het politieke conflictmodel dat door Mouffe gepropageerd wordt. Terwijl het conflict en de duidelijke tegenstelling tussen ‘wij’ en ‘zij’ voor Mouffe de essentie van de democratische politiek uitmaakt en dus gekoesterd moet worden, gelooft Van Parijs namelijk veel meer in het zoeken naar consensus op basis van de empathie. Het meest verrassende moment tijdens de vragenronde was misschien wel dat Mouffe het antwoord schuldig diende te blijven toen haar gevraagd werd wat ze precies verstaat onder sociale rechtvaardigheid. Het heeft namelijk geen zin om die vraag op te lossen, stelde ze. Sociale rechtvaardigheid is immers geen vastliggend concept, maar moet steeds opnieuw gedefinieerd worden binnen een bepaalde context. Daarom is het niet erg nuttig om een heel leven lang over de betekenis van sociale rechtvaardigheid na te denken, antwoordde ze finaal.

Het was Van Parijs die ten slotte zorgde voor een mooie afsluiter door te stellen dat we binnen afzienbare tijd waarschijnlijk veel meer aandacht zullen besteden aan het welzijn van de dieren. Indien we werkelijk nadenken over rechtvaardigheid en moreel handelen in onze samenleving, kunnen we hen namelijk niet langer over het hoofd zien, beweerde hij. Vervolgens haalde Van Parijs een uitspraak aan van de Franse cultureel-antropoloog Claude Lévi-Strauss, geboren te Brussel in 1908, die beweerde dat de toekomstige mens dezelfde walging zal ervaren wanneer hij terugkijkt op de tijd dat mensen dieren aten, als de Europese ontdekkingsreizigers uit de zestiende en zeventiende eeuw die vol afschuw geconfronteerd werden met kannibalisme op andere continenten.

Dit stuk verscheen eerder op DeWereldMorgen.be (19/02/2015)