Burgerschap in het onderwijs

Vandaag worden studenten met allerlei cursussen, handboeken, examens en stages klaargestoomd voor een professionele richting die ze later, afhankelijk van heel wat factoren, misschien zullen inslaan. Dat is niet slecht, integendeel. Kennis wordt aangereikt, vaardigheden bijgebracht en referentiekaders verbreed. Wel is het vreemd en jammer dat er in het Vlaams onderwijs nog steeds geen vak bestaat waarmee jongeren specifiek voorbereid worden op datgene wat ze later niet misschien, maar daarentegen zeker zullen worden: volwassen burgers in een democratische samenleving.

De kerntaak van ons basis- en secundair onderwijs bestaat in het verschaffen van een algemene vorming. Het idee daarbij is dat jonge mensen doorheen hun schoolcarrière de noodzakelijke tools aangereikt krijgen om zich te ontplooien en om voldoende gewapend aan de start van hun volwassen leven te verschijnen. Aangenomen wordt dat een combinatie van vakken zoals geschiedenis, aardrijkskunde, Nederlands, biologie, economie, enzovoort er uiteindelijk toe leidt dat jongeren in staat zijn om een deugdelijk mens- en maatschappijbeeld te ontwikkelen, om zelfstandig keuzes te maken en om zinvol te functioneren in de samenleving. Vervolgens worden jongeren in het hoger onderwijs – maar ook reeds in de derde graad van het technisch en beroepssecundair onderwijs – nadrukkelijker voorbereid op de professionele richting die ze willen inslaan. Het voorbereiden op een toekomstige loopbaan wordt op dat moment zelfs een cruciale taak van het onderwijs. In die context gaan er trouwens regelmatig stemmen op om het onderwijs nóg beter aan te passen aan de noden van de arbeidsmarkt, zodat bekwame werknemers op maat afgeleverd worden. Toch blijft de algemeen vormende functie van het onderwijs globaal genomen het belangrijkst. We verwachten dat het onderwijs jonge mensen mee vormt zodat ze klaar zijn om hun rol als geïnformeerde, kritische en verantwoordelijke burgers in de samenleving op te nemen. Maar wat betekent het precies om zo’n burger te zijn?

Burgerschap: twee ladingen

Het antwoord op deze vraag hangt af van de manier waarop we het concept burgerschap invullen. In een goed functionerende democratie dekt het concept tenminste twee ladingen. Ten eerste impliceert burgerschap dat men een behoorlijke notie heeft van de politieke instellingen. Mensen begrijpen met andere woorden hoe de democratie werkt, op welke beginselen ze steunt, welke individuele rechten en plichten daarbij van toepassing zijn, hoe het ideologische spectrum eruit ziet en welke politieke keuzemogelijkheden er bestaan. Dit soort informatie kan via traditionele kennisoverdracht in het onderwijs verworven worden. De lesgever vertelt, de leerlingen of studenten verwerken en slaan op. Ten tweede verwijst burgerschap echter naar het vermogen en de bereidheid om deel te hebben aan de gemeenschap en om een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving. Hierbij gaat het dus niet zozeer om kennis, maar wel om vaardigheden en een bepaalde attitude. We denken in dit verband aan het vormen van een eigen mening over maatschappelijke thema’s, het opbouwen van een argumentatie, het communiceren van een visie en het luisteren naar andere opvattingen. Essentieel in dit verhaal is ook het vertalen van een intellectueel standpunt naar het concrete handelen in de praktijk, wat voor veel mensen heel wat moeilijker blijkt. Burgerschap hangt dus zeker niet alleen samen met enkele rechten en plichten en met basiskennis over de democratie, maar heeft ook alles te maken met betrokkenheid en engagement. Het stimuleren en bevorderen van dit soort actief burgerschap wordt door de Europese Commissie omschreven als een van de absolute hoofddoelstellingen van het onderwijs.[1] In verschillende lidstaten werd trouwens reeds een verplicht, afzonderlijk vak over burgerschap opgenomen in het leerplan.

VOET in Vlaanderen

Ook in het Vlaams secundair onderwijs wordt aandacht besteed aan burgerschapseducatie, zij het dan iets implicieter. Het ontwikkelen van actief burgerschap wordt er niet gekoppeld aan een afzonderlijk vak, maar komt aan bod via een aantal vakoverschrijdende eindtermen (de zogenoemde VOET). Zulke vakoverschrijdende eindtermen werden destijds ingevoerd om een soort van vangnet te creëren voor waardevolle en maatschappelijk relevante ‘inhouden’ die onvoldoende terug te vinden zijn in de afzonderlijke vakken.[2] Zo werden er in totaal een honderdtal VOET opgesteld, gaande van het hygiënisch omgaan met voedsel, tot en met het aanvoelen van de waarde van natuurbeleving. Het is binnen dit lijstje dat ook interessante eindtermen met betrekking tot actief burgerschap aan bod komen. Een kleine greep: ‘De leerlingen geven aan hoe zij kunnen deelnemen aan besluitvorming in en opbouw van de samenleving’, ‘De leerlingen passen inspraak, participatie en besluitvorming toe in reële schoolse situaties’, ‘De leerlingen zetten zich actief en opbouwend in voor de eigen rechten en die van anderen’, ‘De leerlingen illustreren hoe een democratisch beleid het algemeen belang nastreeft en rekening houdt met ideeën, standpunten en belangen van verschillende betrokkenen’. Of nog: ‘De leerlingen gaan constructief om met verschillen tussen mensen en levensopvattingen.’[3]

Interessant is dat aan deze VOET een inspanningsverplichting gekoppeld werd. Dit houdt in dat van scholen verwacht wordt dat zij een inspanning leveren om de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen na te streven. Deze VOET zijn dus, in tegenstelling tot de reguliere eindtermen, niet gekoppeld aan een te behalen resultaat. Daarnaast is het zo dat de scholen heel wat autonomie verleend wordt om te bepalen op welke manier, hoe vaak, in welke graden, in welke lessen en door wie er precies rond de VOET gewerkt wordt. Uiteraard twijfelen we niet aan de goede wil van de Vlaamse scholen en evenmin aan de kwaliteit van het onderwijs dat zij verstrekken, maar misschien verdient een belangrijk thema als burgerschap (dat dus blijkbaar onvoldoende aan bod komt in de reguliere vakken) wel wat meer structuur, coördinatie en verankering. Is het trouwens ook niet mogelijk – en geheel begrijpelijk – dat het lerarenkorps het al meer dan druk genoeg heeft met de eigen vakspecifieke opdracht en dat een hele boterham als burgerschapseducatie er dus om praktische redenen wel eens durft bij in te schieten en slechts minimaal behandeld wordt?

Meer LEF?

Dikwijls wordt aangenomen dat burgerschap en aanverwante thema’s uitvoerig aan bod komen in de huidige levensbeschouwelijke vakken, zoals godsdienst en niet-confessionele zedenleer. Het kan inderdaad kloppen dat die lessen vaak een gelegenheid vormen om maatschappelijke thema’s en actuele kwesties aan te kaarten, ja, zelfs om eens duchtig van gedachten te wisselen over allerlei zaken die met burgerschap te maken hebben en die in andere lessen niet of nauwelijks besproken worden. Maar ten eerste hebben de levensbeschouwelijke vakken hun eigen programma, dat helemaal niet noodzakelijk rond burgerschap hoeft te draaien. Ten tweede zitten leerlingen er strikt gescheiden van hun leeftijdsgenoten met een andere levensbeschouwelijke achtergrond of opvatting. Dat is natuurlijk niet bevorderlijk voor pakweg de interculturele dialoog, waarvan het belang nauwelijks overschat kan worden in de huidige samenleving. Het zou dan ook bijzonder jammer en nalatig zijn indien we een groot deel van de verantwoordelijkheid met betrekking tot burgerschapseducatie afwentelen op de leerkrachten levensbeschouwing.

Om het bestaande hiaat op te vullen pleiten mensen zoals Patrick Loobuyck voor de invoering van een nieuw, onafhankelijk en voor iedereen verplicht vak in het basis- en secundair onderwijs. Loobuycks voorstel draagt de titel ‘Meer LEF in het onderwijs‘, waarbij ‘LEF’ verwijst naar Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie.[4] In zo’n vak ‘LEF’ zou het ontwikkelen van een algemene levensbeschouwelijke geletterdheid gecombineerd worden met filosofie, morele vorming en burgerschapseducatie. Het spreekt voor zich dat hiermee een uitstekend kader geschapen zou worden voor de ontwikkeling van, bijvoorbeeld, interculturele vaardigheden. Zo’n vak zou een vrijplaats kunnen betekenen voor de dialoog, het meningsverschil, de diversiteit en het wederzijds begrip. Tevens zou er meer ruimte gecreëerd worden voor alle andere elementen die met actief burgerschap te maken hebben, zoals democratische vorming en het stimuleren van een kritische houding, betrokkenheid en engagement. Het idee is dan ook interessant. Alleen lijkt het vanuit een bepaald perspectief misschien iets logischer om LEF te kaderen in een algemeen vak Burgerschap, dan om burgerschapseducatie te kaderen in een algemeen vak LEF, al is dat mogelijk slechts een semantische discussie.

Wat met de huidige levensbeschouwelijke vakken?

Een belangrijke vraag is welke plaats de huidige ‘geëngageerde’ of ‘gekleurde’ levensbeschouwelijke vakken in dat verhaal zouden innemen. Stemmen gaan namelijk op om deze nadrukkelijk facultatief en supplementair te maken of zelfs regelrecht te doen verdwijnen ten voordele van een neutraal en algemeen vak zoals LEF of Burgerschap. Dat hoeft echter niet noodzakelijk zo te zijn. Sommigen beweren dat het vreemd is dat de overheid in een seculiere staat geëngageerd levensbeschouwelijk onderricht financiert, subsidieert of faciliteert. Anderen stellen dan weer dat het integreren van deze geëngageerde levensbeschouwelijke vakken het juist mogelijk maakt om iets beter toe te zien op de kwaliteit van het levensbeschouwelijk onderricht dat aan jonge mensen in onze samenleving verstrekt wordt. Jongeren worden dan immers niet zomaar overgeleverd aan niet-gekwalificeerde, onbekwame ‘leraars’ en schabouwelijke kennis. Waarop nog anderen dan weer antwoorden dat het toch totaal absurd is om kinderen een gekleurde levensbeschouwelijke opvoeding te geven op school, daar het namelijk kinderen betreft die helemaal nog geen levensbeschouwing hebben of hoeven te hebben en die men neutraal onderwijs dient te verstrekken zodat ze later, op volwassen leeftijd, zelf kunnen bepalen in welke levensbeschouwing ze zich verdiepen. Maar voorstanders van de geëngageerde levensbeschouwelijke vakken werpen dan weer tegen dat neutraliteit en algemeenheid een verarming betekenen in vergelijking met een doorleefd en op persoonlijke ervaring gebaseerd verhaal, dat namelijk veel meer zou prikkelen en inspireren.

Veel belangrijker dan dit gevoelig debat over het bestaansrecht van de geëngageerde levensbeschouwelijke vakken, is echter de consequente invoering van meer ruimte voor algemene, expliciete burgerschapseducatie in ons onderwijs. Beide thema’s dienen dus helemaal niet zo nodig aan elkaar gekoppeld te worden om effectief over te kunnen gaan tot, bijvoorbeeld, de inrichting van een vak zoals Burgerschap of LEF.

Hogescholen en universiteiten

Ook van hogescholen en universiteiten mag vanzelfsprekend verwacht worden dat ze een betekenisvolle en expliciete bijdrage leveren aan het ontwikkelen van een democratische houding, verantwoordelijkheidszin en maatschappelijk engagement bij hun studenten. Het hoger onderwijs is namelijk bij uitstek een omgeving waar jongvolwassenen uitgroeien tot burgers die met beide benen in de samenleving staan. Het zou daarom zonde zijn dat studenten er wel allerlei complexe kennis en professionele vaardigheden onder de knie krijgen, maar dat zij niet gestimuleerd worden om op basis van kritische zin en initiatief een positieve invloed uit te oefenen op hun maatschappelijke omgeving. Ook in het hoger onderwijs dient met andere woorden een structureel kader te bestaan waarin studenten aangespoord worden tot betrokkenheid, dialoog, het vormen van een eigen mening en het vertalen van ideeën en standpunten naar de concrete maatschappelijke praktijk. Ongetwijfeld vallen er in dit opzicht heel wat toepassingen en projecten te bedenken. De pluralistische en interdisciplinaire context waarin hogescholen en universiteiten zich bevinden, biedt in dit opzicht enorme kansen en maakt de onderneming alleen maar rijker, boeiender en relevanter.

Tijd dus om de ontwikkeling van actief burgerschap een volwaardige plaats in ons onderwijs te geven. Het samenleven kan er enkel wel bij varen.


Noten
1 Europese Commissie – Euridyce, 2012, p. 7.
2 Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming – Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV), 2009, p. 4.
3 Idem, p. 19-20.
4 Loobuyck, 2014.


Bronnen
Europese Commissie – Euridyce, 2012. Citizenship Education in Europe. [online] Beschikbaar op: http://eacea.ec.europa.eu/education/eurydice/documents/thematic_reports/139EN.pdf
[geraadpleegd op 28 maart 2015].

Loobuyck, P., 2014. Meer LEF in het onderwijs. Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie voor iedereen. Brussel, VUBPRESS.

Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming – Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV), 2009. VOET @ 2010. Nieuwe vakoverschrijdende eindtermen voor het secundair onderwijs. [online] Beschikbaar op: http://www.ond.vlaanderen.be/curriculum/publicaties/voet/voet2010.pdf
[geraadpleegd op 30 maart 2015].


Dit stuk verscheen eerder op DeWereldMorgen.be (03/04/2015)