De ‘vervelende’ vegetariër

Gedurende de luttele periode die ons op deze merkwaardige planeet gegund is, komen we vroeg of laat allemaal wel eens in aanraking met zo’n zonderling die weigert vlees te eten. Doorgaans noemen we deze pathetische plantensmuller dan een ‘vegetariër’, terwijl we hem gemakshalve rekenen tot het clubje groene malcontente muggenzifters waartoe ook de Geitenwollen Sok, de Milieufreak en de Boomknuffelaar behoren. Ja, ook de vegetariër schopte het namelijk tot maatschappelijke schertsfiguur. Hij lokt in Vlaanderen nog steeds hoongelach, onbegrip en irritatie uit omwille van zijn geheven vingertje, zijn ecologisch fetisjisme of zijn misplaatste overgevoeligheid. Om de zoveel tijd wordt hij daarom getrakteerd op gefronste wenkbrauwen, subtiel rollende ogen en zelfs nauwelijks verholen gezucht, want het is natuurlijk gewoon vervelend als iemand niet smakelijk eet wat grootmoeder gemaakt heeft.

Indien deze uitdrukkingen van ergernis gepaard gaan met vragen als “waarom eet gij geen vlees?” of “waarom zijt gij vegetariër?”, dan stemt dat mij in feite best gelukkig. Ik hou namelijk nogal van onderbouwing en argumentatie. Alleen is het op de keper beschouwd best vreemd dat het steeds in de eerste plaats de vegetariër is die zichzelf voor een voltallig tafelgezelschap moet verantwoorden. Want zeg nu zelf, behoeft het stimuleren van massale slachtpartijen niet sowieso een tikkeltje meer rechtvaardiging dan het simpele niet meewerken daaraan? En waarom horen we die dan zo weinig? En waarom beperkt zo’n verantwoording zich dan doorgaans ook nog tot holle frasen en weinig uitgewerkte redeneringen als “vlees eten, da zit in ons instinct” of “ne mens heeft vlees nodig”, afgesloten met fantastische dooddoeners als “binnenkort mogen we niks meer!”?

Om mijn voorliefde voor onderbouwing in de verf te zetten, zal ik hier nogmaals beargumenteren waarom het beslist niet zo onzinnig is om vegetarisch te eten. Daarvoor doe ik onder meer een beroep op ideeën die men ook terugvindt in het werk van de Australische moraalfilosoof Peter Singer. Op te merken valt dat het hier slechts gaat om een kleine greep uit het totale arsenaal aan goede redenen voor een ander voedingspatroon. Ik zal het bijvoorbeeld niet hebben over de manier waarop onze grote ecologische voetafdruk mede veroorzaakt wordt door de consumptie van vlees, of over de klimatologische gevolgen daarvan – daarvoor bestaat duidelijk al heel wat aandacht in de media. Wel zal ik verklaren waarom onze houding ten aanzien van dieren in feite verkeerd is.

Verdwijnt, gij oude vormen en gedachten

Reeds sinds mensenheugenis worden dieren door de mens gevangen of gekweekt, opgesloten, gebruikt, verkocht, gedood, opgegeten, enzovoort. Na verloop van tijd begon de mens deze gangbare praktijken ook enigszins in te kleden en uit te leggen door middel van de toonaangevende wereldbeelden en denksystemen die door de jaren heen ontwikkeld werden. Eén van de meest invloedrijke wereldbeelden die ooit bedacht werden, is uiteraard het christelijke. Welnu, wie de bijbel erop naslaat, constateert in Genesis vrijwel onmiddellijk hoe de mens letterlijk door God aangemaand wordt om de aarde te onderwerpen en de dieren te overheersen.[1] Iets verderop verkondigt Onze-Lieve-Heer vervolgens dat er bij alle dieren op aarde vrees en schrik zal zijn voor de mens. Alles wat leeft en beweegt had Hij, de Almachtige, namelijk als voedsel geschonken aan de mensheid.[2] We kunnen dan ook moeilijk anders dan besluiten dat het onderdrukken, het bang maken en het gebruiken van dieren destijds perfect in overeenstemming geacht werd met de wil van de Hemelse Vader, de allerhoogste morele autoriteit die finaal besliste over Goed en Kwaad. En als Hij bepaalde dat dieren slechts bestonden in het belang van de mensheid, wie was de mens dan om daar anders over te oordelen?

Vandaag achten we heel wat essentiële elementen van het christelijke denken achterhaald. Zo heeft de religieus geïnspireerde scheppingsleer het pleit finaal verloren tegen de natuurwetenschappelijke verklaring voor het ontstaan van alle leven op de wereld, de evolutietheorie, waarvan Charles Darwin de basis legde in de negentiende eeuw. Hoewel deze flink doordachte theorie nog lang niet alles helemaal ontrafeld heeft, wordt ze sterk bevestigd door hetgeen men onophoudelijk onderzoekt in de natuur. Ze beschikt simpelweg over een veel grotere bewijskracht dan de godsdienstige theorieën die lang geleden ontwikkeld werden zonder de inzichten en methoden die we vandaag hanteren. Daar bovenop hoeft de evolutietheorie ook geen beroep te doen op magisch-mysterieuze opperwezens om bepaalde fenomenen te verklaren. Op basis van de meest betrouwbare kennis die momenteel voorhanden is, kunnen we zelfs concluderen dat er eigenlijk geen gegronde aanwijzing te vinden is voor het bestaan van een of andere god die de planeet aarde en haar bewoners zou geschapen hebben. Het lijkt daarom erg plausibel dat het niet God was die de mens creëerde, maar dat het omgekeerd de mensheid was die God bedacht, zoals de Duitse filosoof Ludwig Feuerbach stelde.

Het waren echter niet enkel de ideeën over het bestaan van God en de schepping van de aarde, die met de doorbraak van Darwins gedachtegoed sterk in verval raakten. Ook het idee van de mens als hoogst uitzonderlijk of uitverkoren wezen, dat naar het evenbeeld van God geschapen was en fundamenteel verschilde van de dieren, werd door de evolutietheorie in diskrediet gebracht. Ingezien werd namelijk dat alle wezens op de wereld stammen uit een zelfde ‘voorouderorganisme’ en vaak erg verwant zijn aan elkaar. Mensen en dieren ontwikkelden zich lang geleden immers uit eenzelfde eerste levend organisme, om vervolgens via het mechanisme van de natuurlijke selectie te evolueren tot de variëteit aan soorten die we vandaag kunnen observeren.

In het licht van die lange geschiedenis zijn mensen en andere zoogdieren in feite pas betrekkelijk laat een eigen richting in geslagen. Om die reden zijn ze biologisch erg vergelijkbaar en functioneren ze in grote mate op dezelfde manier. Zo beschikken ze haast allen over een paar oren om te horen en een stel ogen om te zien, een neus om mee te ruiken en benen of poten om mee te lopen. Daarbij maakt het niet zo gek veel uit of het nu een mens betreft dan wel een mantelbaviaan, een strandwolf of een veelvraat, een wasbeer of een wombat, een poolvos, relmuis, knobbelzwijn of hermelijn. Hoewel de ene weliswaar wat beter hoort of ziet en de andere dan weer wat kleiner of net groter is, delen we duidelijk dezelfde basiseigenschappen. Allemaal worden we na verloop van tijd hongerig of slaperig en ook onze lichamelijke binnenkant vertoont opvallend veel gelijkenissen. Zo beschikt ieder van ons over een hart, lever, longen en een bloedsomloop, en bezitten we ook allemaal een maag, nieren, spieren en zelfs een volledig spijsverteringsstelsel.

Het vermogen om te lijden

Cruciaal nu in het kader van dit schrijven, is het inzicht dat we ook de centrale eigenschappen van ons zenuwstelsel delen met de dieren. Dit betekent concreet dat niet enkel mensen maar ook dieren meer dan waarschijnlijk pijn kunnen ervaren. Doorheen het lange evolutionair parcours bleek dit vermogen zelfs uitzonderlijk belangrijk aangezien het de overlevingskansen van een diersoort structureel verhoogde. De wezens die het meest ontvankelijk waren voor pijnprikkels, gingen namelijk behoedzaam door het leven en probeerden zorgvuldig alle pijn en onheil te vermijden. Hierdoor waren ze van nature beter in het ontlopen van gevaar en treffen we ze vandaag nog altijd aan. Als gevolg van dit verleden, vertonen heel wat gekwelde dieren nagenoeg dezelfde uiterlijke kenmerken als een mens met pijn. Zo zullen ze schreeuwen, janken, beven, piepen, kreunen, grommen, bijten enzovoort, en treedt er eveneens een stijging van de hartslag en de bloeddruk op. Ook zullen ze vastberaden trachten om het onheil af te wenden en worden ze angstig bij het vooruitzicht van een herhaling van de pijn.[3]

Het is daarom absurd om ervan uit te gaan dat zenuwstelsels die een gemeenschappelijke oorsprong kennen, die fysiologisch nagenoeg hetzelfde zijn, die een identieke evolutionaire functie hebben en die onder gelijkaardige omstandigheden resulteren in dezelfde gedragingen, volledig anders zouden werken op het niveau van het gevoel.[4] Veel redelijker is het om aan te nemen dat ook dieren heel wat hinder ondervinden als ze ziek zijn of gepijnigd worden. Bovendien is het zelfs zo dat heel wat zintuiglijke vermogens beter ontwikkeld zijn bij dieren dan bij mensen. Meer dan mensen zijn zij namelijk aangewezen op hun zintuigen om iedere vijandigheid in hun omgeving zo snel mogelijk te detecteren.[5] Maar dieren lijden echter niet uitsluitend onder lichamelijke pijn. Evenzeer schijnen ze te lijden onder angst en stress wanneer ze bijvoorbeeld opgejaagd, gevangen, vervoerd en opgesloten worden.

Het hebben van belangen

Nu we tot de conclusie zijn gekomen dat het erg redelijk is om aan te nemen dat ook dieren kunnen lijden, moeten we zo eerlijk zijn om in het verlengde daarvan te erkennen dat ze ook beschikken over belangen. Om te besluiten dat een wezen beschikt over belangen, is de simpele aanwezigheid van het vermogen om te lijden namelijk volstrekt voldoende. Dit principe werd in de 18e eeuw reeds naar voren geschoven door de Britse filosoof Jeremy Bentham, die toen poneerde dat de kapitale vraag die we moeten stellen niet is of dieren kunnen praten of redeneren, maar wel of ze kunnen lijden.[6] Los van de precieze grootte van het rationeel vermogen en het bewustzijn, heeft ieder wezen dat in staat is om te lijden er namelijk belang bij om doorheen het leven niet te moeten lijden. Uiteraard is dit niet-hoeven-te-lijden slechts het absolute minimumbelang waarover een wezen kan beschikken, naast alle andere belangen die kunnen leiden tot een gelukkig en voldaan bestaan, zoals het kunnen leven in natuurlijke omstandigheden en het kunnen uitoefenen van gedrag dat eigen is aan een bepaalde soort.

Indien we nu een moreel bewuste en hoogstaande samenleving willen vormen, dienen we de belangen van alle wezens van wie we het leven met onze handelingen beïnvloeden op een redelijke manier in acht te nemen. Daarbij moeten we proberen om in de eerste plaats elkaars minimumbelang te respecteren. Dat betekent erg simpel en concreet dat we ervoor moeten zorgen dat onze attitudes en verrichtingen geen pijn en leed veroorzaken bij anderen. In de tweede plaats moeten we ambiëren om ook de overige belangen te respecteren, zodat we andere wezens de kansen op een fijn en fatsoenlijk leven niet ontnemen. Gelukkig beseffen en beamen we die dingen tegenwoordig allemaal ook wel. Zo raken we met z’n allen verontwaardigd bij de beelden van mishandelde en ondervoede dieren, of bij de filmpjes van geketende en veel te klein behuisde beesten uit het circus en de clandestiene dierentuin. Eveneens beseffen we dat dieren die in een asiel verblijven slechter af zijn dan hun soortgenoten met een aangenamer onderkomen, en dat de hond gelukkiger is in een huis met tuin dan in een appartement. Tevens begrijpen we perfect dat vogels de vrije lucht verkiezen boven een gekooid bestaan en dat de kat ‘kajiet’ wanneer we per ongeluk op haar staart of pootje staan.

Maar hoe waanzinnig is het eigenlijk dat we onze kinderen zowel op school als thuis herhaaldelijk vertellen dat ze respect moeten hebben voor de natuur en voor de dieren, terwijl we er als volwassenen eigenlijk niets of nauwelijks om geven dat er in België maandelijks een miljoen varkens geslacht worden?[7] Is er iemand die zich een miljoen starende en ademende varkens kan inbeelden, iedere maand opnieuw? En is er eigenlijk iemand die oprecht gelooft dat die dieren, die trouwens intelligenter blijken dan de hond, erg genieten van hun onnatuurlijk en eentonig leven in gevangenschap? Neen, te vrezen valt van niet. In de vleessector primeren namelijk niet de belangen van het dier maar wel de onverbiddelijke wetten van de markt. Ook in deze sector staat daarom zo goed als alles in het teken van de efficiëntie, de productie en de winst. Dieren moeten er geld opbrengen en worden er in industriële stallen geëxploiteerd. Dit duizelingwekkende aantal varkens wordt in feite enkel en alleen gekweekt om na verloop van tijd bedwelmd te worden met gas of met een harde elektrische schok[8], om ze vervolgens levend aan hun achterpoten op te hangen, de keel over te snijden of door te prikken, leeg te laten bloeden, te ontharen, te schroeien, op te snijden en tenslotte te verkopen als kotelet, spek of braadworst.[9]

Traditioneel trekt de publieke opinie zich van het leven van een varken in de vleesindustrie maar weinig aan. Zolang ons om de zoveel tijd maar ingefluisterd wordt dat die beestjes toch niet afzien bij het slachten, is alles dik in orde. En inderdaad, op het moment dat het lemmet of de naald de halsslagader openhaalt, hangen de beesten hopelijk al lang verdoofd te bengelen aan een geautomatiseerde rail of vleeshaak. Maar hoe zou een varken zich eigenlijk voelen wanneer het op transport gezet wordt of wanneer het een flinke stroomstoot toegediend krijgt? Of wanneer het een overdosis gas door neus en keel de longen ingejaagd krijgt, of zijn soortgenoten door de knieën ziet gaan? Stress? Angst? Ongemak? Pijn? Paniek? Iemand enig vermoeden of idee?

Om de mate van het lijden en de levenskwaliteit van zo’n varken te beoordelen, volstaat het natuurlijk allerminst om ons te beperken tot een analyse van de finale doodstrijd. Daarmee zouden we het leven dat eraan voorafgaat totaal negeren. Welnu, om te beginnen is dat leven uiteraard kort. Terwijl een varken in principe tien tot vijftien jaar kan worden, leeft het in de vleesindustrie doorgaans slechts enkele maanden tot een jaar om vetgemest te worden en zo snel mogelijk te groeien. De varkens die gebruikt worden om aan de lopende band zoveel mogelijk nieuwe biggen op de wereld te zetten, zijn een iets langer leven beschoren en houden het een aantal jaren uit totdat hun productiviteit afneemt en ze alsnog gedood worden.

Gedurende dat korte leven worden varkens in de vleesindustrie vandaag in groep gehouden. Daarbij wordt door de Belgische wetgeving gestipuleerd dat 0,65 vierkante meter vrije vloeroppervlakte voldoende is voor een varken van honderd kilogram.[10] Iets meer dus dan een halve vierkante meter voor een dier dat zich beweegt op vier poten, zwaarder is dan een gemiddelde mens en houdt van rollen over de rug, wroeten in de natuur, het nemen van modderbaden en het bouwen van nesten. Zelfs indien men deze oppervlakte zou verdubbelen, lijkt het petieterig. Maar uiteraard staat het iedere veehouder volledig vrij om in ruimere hokken te voorzien, dat spreekt voor zich en wordt zelfs aangemoedigd door de overheid.[11] Alleen jammer dat die vermaledijde concurrentie en efficiëntie – de hedendaagse mantra’s van de niet zo vrije markt – zowel de varkenshouder als het varken vermoedelijk dwingen in een krap en knellend keurslijf. Het gevolg van zo’n bende verveelde, gestresseerde en opeengepakte varkens, is dan ook dat deze dieren hun frustraties geregeld kannibalistisch botvieren op lot- en soortgenoten door hen in de staart en in de oren te bijten. Waarop de veehouder dan weer tracht te anticiperen door tanden te knippen en staarten te couperen, al mogen deze ingrepen sinds 2008 wel niet meer systematisch en routinematig plaatsvinden. In eerste instantie dient men namelijk te proberen om dit gedrag met andere middelen te beteugelen.[12]

Met welk recht?

Varkens zijn natuurlijk niet de enige dieren die leven en sterven voor de vleesconsumptie. Ook koeien, kalveren, paarden, geiten, schapen, lammeren en allerhande gevogelte ondergaan bij ons dit lot. Maar welk recht is het nu precies dat ons in staat stelt om welzijnsgevoelige dieren te veroordelen tot een kort en somber leven in het teken van de bio-industrie? En waarom precies hebben dieren die vreugde en plezier kunnen ervaren niet het recht om daar ook zolang mogelijk van te genieten? Bestaat er eigenlijk een duidelijk en afdoend antwoord op zulke vragen?

“Leeuwen vangen toch ook zebra’s om ze te verscheuren en op te eten. Mag dat dan ook niet meer? De natuur zit nu eenmaal gruwelijk en oneerlijk in elkaar, dat valt niet te veranderen!” hoor ik dan wel eens. Maar een groot verschil tussen mens en dier is dat de mens begiftigd is met een moreel bewustzijn. Dat wil zeggen dat mensen, in tegenstelling tot dieren, proberen om het onderscheid te maken tussen goed en kwaad, om daar dan vervolgens hun handelen op af te stemmen. Vaak is het echter niet eenvoudig om te bepalen wat nu precies goed is en wat kwaad. Doorgaans baseren we ons hierbij op het simpele principe dat de dingen die op een duurzame manier leiden tot vreugde, genot en een gelukkig leven goed zijn, en dat zaken die op aanhoudende wijze leed, treurnis en een ongelukkig leven teweegbrengen kwaad zijn. Het uiteindelijke doel van ons handelen bestaat dan in het nastreven van het goede en het reduceren van het kwade.

Eén van de moeilijkheden die zich bij deze onderneming dikwijls voordoen, is dat er in een maatschappij steevast sprake is van tegengestelde belangen. Een handelen dat voor de ene partij voordelig en dus goed is, kan voor een andere partij nadelige gevolgen hebben. Laat net dat nu het geval zijn wanneer het gaat over de consumptie van vlees. Voor mensen zal het consumeren van dierlijk vlees genot opleveren, terwijl het dieren daarentegen heel wat leed en een somber bestaan in het teken van de vleesindustrie bezorgt. Om zulke gevallen te beslechten, is het redelijk en gepast om het liberale credo op te diepen en te stellen dat de eigen vrijheid slechts reikt tot daar waar de vrijheid van anderen ingeperkt wordt. Vertaald naar de context van dit essay, luidt het dan dat de menselijke vrijheid slechts reikt tot daar waar men de vrijheid van het dier om zich te ontplooien en een waardig leven te leiden inperkt.

En levert het eten van vlees trouwens echt zoveel geluk op als je weet dat er ontzettend veel lekkere en gezonde alternatieven bestaan waardoor een gigantische hoeveelheid dieren een somber en onwaardig bestaan bespaard blijft?

Zelfs indien het eten van vlees de mens heel wat extra geluk zou opleveren en het daarbij mogelijk zou zijn om dieren in aangename en natuurlijke omstandigheden te laten leven en hen vervolgens te slachten zonder dat ze daar enige hinder van ondervinden, lijkt het onrechtvaardig om het leven van een gezond dier vroegtijdig te beëindigen. Want waarom zou een wezen dat in staat is om zich te ontplooien en te genieten van een waardig en aangenaam bestaan, niet het onvervreemdbare recht hebben om dat ook zo lang mogelijk te doen?

Een nieuwe stap

Welke redelijke argumenten bestaan er eigenlijk nog voor het slachtofferen van dieren voor consumptie? Erg weinig, volgens mij.

Het is daarom hoog tijd om dieren meer rechten te verlenen, de massale vleesproductie en -consumptie terug te dringen en een nieuwe stap te zetten in onze morele ontwikkeling. Het is namelijk niet omdat bepaalde ideeën, praktijken en gewoonten ons op een gegeven moment normaal toeschijnen, dat ze ook rechtvaardig zijn of dat er niets beter of beschaafder te bedenken valt. Zo was de slavernij erg lang een gangbaar fenomeen en gold het openbare folteren geruime tijd als redelijke rechtspraak. En in een minder ver verleden achtte men homoseksualiteit nog een te bestrijden ziekte en vond men het maar logisch dat vrouwen niet mochten stemmen bij de verkiezingen, wat vandaag gelukkig ondenkbaar is. Het is dankzij een voortschrijdend inzicht, het engagement en de inspanningen van voorgaande generaties dat we op allerlei vlakken morele vooruitgang hebben geboekt. Ook onze generatie kan en moet daaraan haar steentje bijdragen. Laten we daarbij de dieren niet vergeten, zij hebben namelijk wel belangen maar geen stem om voor zichzelf op te komen.


Dit essay verscheen eerder op De Wereld Morgen (27/02/2015), als kanttekening bij de actie ‘Dagen Zonder Vlees’. Met die actie werd de aandacht gevestigd op de ecologische redenen om te stoppen met het eten van vlees. Jammer genoeg werd toen vrijwel geen aandacht besteed aan de belangrijke ethische redenen (m.b.t. dierenwelzijn en dierenrechten) om vegetarisch te eten. Dat was absoluut een gemiste kans om het pleidooi voor vegetarisme nog veel sterker te maken.

Zie: http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2015/02/27/dagen-zonder-vlees-en-dierenwelzijn-een-gemiste-kans



Voetnoten
1 “Genesis”, in De Bijbel (eBook.nl / Ars Floreat, 2004), pdf, http://www.arsfloreat.nl/documents/Bijbel.pdf, 1:28, p. 8.
2 Idem, 9: 2-3, p. 20.
3 Peter Singer, Writings on an Ethical Life (London: Fourth Estate, 2001), p. 37.
4 Ibidem.
5 Richard Serjeant, The Spectrum of Pain (London: Hart Davis, 1969), p. 72.
6 Jeremy Bentham, An Introduction to the Principles of Morals and Legislation (Library of Economics and Liberty, 2002), geraadpleegd op 15 april 2014, http://www.econlib.org/library/Bentham/bnthPML18.html#Chapter XVII, Of the Limits of the Penal Branch of Jurisprudence , hoofdstuk XVII, noot 122.
7 Federale Overheidsdienst Economie, Slachtstatistieken: maandelijks detail, slachtingen van dieren, per diersoort voor België, laatste 10 beschikbare maanden (Statistics Belgium, 2014), geraadpleegd op 27 februari 2015, http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/economie/landbouw/verwerking/geslacht/maandelijks_detail/
8 Op te merken valt dat het koninklijk besluit van 6 oktober 2006 (tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 januari 1998 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden) bepaalt dat het gebruik van apparaten waarmee elektrische schokken worden toegediend, zoveel mogelijk wordt vermeden. “Deze instrumenten mogen in elk geval alleen worden gebruikt voor volwassen runderen en volwassen varkens die weigeren zich te verplaatsen” (Artikel 1). Normaal gezien wordt een volwassen rund of varken dus slechts geëlektrocuteerd indien het weigert om zich gewillig naar de gaskamer te begeven.
Andere hoopvolle(?) bepalingen uit de bijlage bij het nog steeds in voege zijnde koninklijk besluit van 16 januari 1998 (inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden) lezen als volgt:
“Dieren die niet kunnen lopen, mogen niet naar de slachtplaats worden gesleept, maar moeten ter plaatse worden gedood (…)” (Hoofdstuk I. A. 6.).
“Bij het uitladen mogen de dieren (…) niet zodanig worden opgetild aan de kop, de horens, de oren, de poten, de staart of de vacht dat zij onnodige pijn of lijden ondervinden” (Hoofdstuk I. B. 2.).
“Het is verboden dieren te slaan op delen van het lichaam die bijzonder gevoelig zijn of op die delen druk uit te oefenen. Het is met name verboden de staart van de dieren te verbrijzelen, om te draaien of te breken en de dieren in de ogen te grijpen. Het is ook verboden te slaan en te schoppen” (Hoofdstuk I. B. 4.).
“De containers waarin de dieren worden vervoerd, moeten behoedzaam worden behandeld; het is niet toegestaan ermee te gooien, ze op de grond te laten vallen of ze te kantelen” (Hoofdstuk I. C. 1.).
“Bij kopslagbedwelming is het gebruik van een hamer verboden” (Hoofdstuk III. 2.).
(Voor de volledige verwijzing naar beide koninklijke besluiten, zie bronnenlijst).
9 Praktijkcentrum Varkens – Het Varkensloket, e-mailbericht ‘Slachtproces varken’  aan de auteur, 4 april 2014.
10 De Raad van de Europese Unie, Richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Publicatieblad van de Europese Unie, 18 februari 2009), Artikel 3, 1. a; Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de bescherming van varkens in varkenshouderijen (Federale Overheidsdienst Justitie, gepubliceerd op 24 juni 2003). http://www.ejustice.just.fgov.be/doc/rech_n.htm.
11 Vlaamse Overheid, Departement Landbouw en Visserij. Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling, Staartbijten voorkomen zonder couperen (Vlaanderen.be, juni 2013), geraadpleegd op 27 februari 2015, http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/staartbijten-voorkomen-zonder-couperen-1.
12 De Raad van de Europese Unie, Idem, Bijlage I, Hoofdstuk I, 8.


Bronnenlijst
Bentham, Jeremy. An Introduction to the Principles of Morals and Legislation. Library of Ecnomics and Liberty, 2002. Geraadpleegd op 15 april 2014.
http://www.econlib.org/library/Bentham/bnthPML18.html#Chapter XVII, Of the Limits of the Penal Branch of Jurisprudence , hoofdstuk XVII, noot 122.

De Raad van de Europese Unie. Richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens. Publicatieblad van de Europese Unie, 18 februari 2009.

Federale Overheidsdienst Economie. Slachtstatistieken: maandelijks detail, slachtingen van dieren, per diersoort voor België, laatste 10 beschikbare maanden. Statistics Belgium, 2014. Geraadpleegd op 27 februari 2015. http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/economie/landbouw/verwerking/geslacht/maandelijks_detail/

Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de bescherming van varkens in varkenshouderijen. Federale Overheidsdienst Justitie, gepubliceerd op 24 juni 2003. http://www.ejustice.just.fgov.be/doc/rech_n.htm.

Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Koninklijk besluit van 6 oktober 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 januari 1998 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden. Federale Overheidsdienst Justitie, gepubliceerd op 7 november 2006. http://www.ejustice.just.fgov.be/doc/rech_n.htm.

“Genesis.” In De Bijbel. eBook.nl / Ars Floreat, 2004. Pdf: http://www.arsfloreat.nl/documents/Bijbel.pdf.

Ministerie van Middenstand en Landbouw. Koninklijk besluit van 16 januari 1998 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden. Federale Overheidsdienst Justitie, publicatiedatum 19 februari1998. http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&caller=summary&pub_date=98-02-19&numac=1998016020.

Praktijkcentrum Varkens – Het Varkensloket. E-mailbericht ‘Slachtproces varken’ aan de auteur, 4 april 2014.

Serjeant, Richard. The Spectrum of Pain. London: Hart Davis, 1969.

Singer, Peter. Writings on an Ethical Life. London: Fourth Estate, 2001.

Vlaamse Overheid, Departement Landbouw en Visserij. Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling. Staartbijten voorkomen zonder couperen. Vlaanderen.be, juni 2013. Geraadpleegd op 27 februari 2015. http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/staartbijten-voorkomen-zonder-couperen-1