Filosofie in het Senegalees onderwijs

Pikine, Saint-Louis, een bruisende buurt in een middelgrote stad in Senegal. Bussen zitten er afgeladen vol, taxi’s rijden er onophoudelijk en in beide klinkt swingende mbalax door de luidsprekers. Chauffeurs verzorgen er met plezier de muzikale omkadering voor de pendelaar en doen daarvoor geregeld een beroep op het oeuvre van Youssou N’Dour, artiest met iconische status in zijn thuisland.

Op alle hoeken van de straat wordt verse of gedroogde vis verkocht. En stokbrood, stapels stokbrood, dat in allerlei kraampjes wordt belegd met kikkererwten, bonen, gepeperde mayonaise, spaghetti, ei, tonijn, ajuinsaus of een combinatie daarvan naar keuze. De nationale schotel blijft echter de befaamde thiéboudienne, een pittig gekruid eenpansgerecht, bestaande uit gebroken rijst, gemarineerde vis en gestoofde groenten zoals aubergine, maniok, wortel, kool, tomaat en aardappel. Heel wat Senegalezen zijn erg gehecht aan hun thiéboudienne – ook wel ceebu jën, ‘rijst met vis’ in het lokale Wolof – en verorberen er dagelijks een stevige portie van. Een dag zonder thiéboudienne voelt voor hen als een dag waarop niet werkelijk gegeten wordt, liet ik me een aantal keer vertellen.

thiéboudienne

‘s Ochtends word je in Pikine vanaf vijf uur gewekt door blatende schapen en kraaiende hanen, maar meer nog door een handvol ijverige muezzins, die nogal opgewonden oproepen tot het ochtendgebed, elk met de eigen microfoon vanuit een andere moskee. In het straatbeeld zie je zowel de fleurige en bont geschakeerde Afrikaanse klederdracht, als de minder kleurrijke, typisch West-Afrikaanse lange gewaden, boubou’s of kaftans genoemd.

Naast de traditionele outfits zijn het vooral de ontelbare voetbalshirts die in het oog springen. Jongeren tooien zich massaal met hun favoriete clubkleuren. F.C. Barcelona en Real Madrid zijn veruit de populairste teams, maar ook het Londense Chelsea doet het opvallend goed bij de Senegalese jeugd. Zo goed zelfs dat het kobaltblauwe shirt met opschrift ‘Hazard’ regelmatig voorbij snelt. Want gevoetbald wordt er, in de stoffige steegjes waar de bal zelden rond of opgepompt is en waar de goals bestaan uit hoopjes stenen. Maar voor de uitzonderlijke doortocht van een blanke passant durven de jonge spelertjes de wedstrijd wel eens stilleggen. Dan klinkt het in koor bonjour toubab! en worden er enthousiast handjes uitgestoken.

Na een maandenlange periode van stakingsacties door de leerkrachten wordt er sinds begin mei weer onafgebroken les gegeven op de Senegalese middelbare scholen. Eind februari van dit jaar lanceerden de onderwijsbonden een stakingsoproep die breed opgevolgd werd. Zo probeerde men de overheid ertoe te dwingen om de bepalingen uit het onderwijsakkoord van februari 2014 ook effectief in de praktijk te brengen. Zoals meestal vormden vergoedingen en arbeidsomstandigheden daarbij de inzet. Op 30 april werd de stakingsoproep na ellenlange onderhandelingen uiteindelijk weer opgeheven en gingen de leerkrachten opnieuw voluit aan de slag.

Te midden van de rijzige gebouwen van het Lycée Charles de Gaulle ligt het uitgestrekte schoolplein erbij als een droge zandvlakte, badend in de zon en gevuld met honderden leerlingen. Groepjes jongeren staan her en der verspreid. Sommigen vertellen honderduit, anderen hebben zichtbaar plezier, nog anderen staan er veeleer gelaten bij. Nu en dan loopt een stel modieus uitgedoste tieners met de fraaiste Afrikaanse kapsels voorbij, trots flanerend over het warme zand. Op andere stukken van het schoolplein wordt dan weer fervent gevoetbald. Als de schoolbel weerklinkt en de pauze voorbij is, duurt het nog even voor de leerkracht filosofie komt opdagen.

Filosofie in het Senegalees onderwijs

Tijdens het laatste jaar van de middelbare school krijgt de grote meerderheid van de Senegalese leerlingen het vak filosofie voorgeschoteld. In richtingen zoals Sciences Sociales et Humaines loopt dit zelfs op tot acht verplichte lesuren per week, aangezien filosofie er als een absoluut hoofdvak wordt beschouwd. Maar ook in technische en exact wetenschappelijke richtingen zoals Sciences Appliquées en Sciences Fondamentales vormt het vak filosofie een verplicht onderdeel van het curriculum.

Aangekomen op de hoogste verdieping van het schoolgebouw blijkt het klaslokaal al helemaal vol te zitten. Meer dan vijftig leerlingen tekenen present voor de cursus filosofie. Er wordt voor ons een extra zitje op de laatste rij gecreëerd, alvorens prof de philo Richard Sall aanvangt met de les. Vandaag wordt een citaat van de twintigste-eeuwse Franse filosoof Paul Ricoeur behandeld. Het fragment uit 1976, dat door meneer Sall in een mooi verzorgd handschrift op het klassieke schoolbord wordt geschreven, gaat over de crisis van de filosofie en meer bepaald over de weg die volgens Ricoeur moet ingeslagen worden om die crisis te bezweren. Indien de filosofie wil overleven, redeneert Ricoeur, dient zij enerzijds haar rijke geschiedenis levend te houden door de dialoog met de grote denkers uit het verleden onverminderd aan te gaan. Anderzijds moet de filosofie ook volop in debat treden met de hedendaagse wetenschappen en dient ze gebruik te maken van de wetenschappelijke kennis die onophoudelijk geproduceerd wordt, gaat Ricoeurs redenering verder. De leerlingen nemen het citaat vlijtig over in hun schrift. Vervolgens laat meneer Sall het stuk luidop lezen door een leerling, alvorens hij het zelf nogmaals declameert. Na wat duiding en contextualisering werpt Sall ten slotte op dat filosofen vandaag veel minder dan vroeger dialogeren met denkers zoals Plato, Aristoteles of Marx en dat zij eerder fungeren als journalisten en commentatoren.

Filosofie in Senegal

Tijdens het tweede uur van de les wordt aan wetenschapsfilosofie gedaan. Van Ricoeurs denken wordt overgestapt op dat van Karl Popper, wiens falsificatietheorie besproken wordt. Popper betoogde dat men een grotere zekerheid over de juistheid van wetenschappelijke hypothesen en theorieën kan bereiken indien men de falsificatiemethode (de poging om een hypothese te weerleggen) hanteert in plaats van de verificatiemethode (de poging om een hypothese te bevestigen). De falsificatietheorie wordt door meneer Sall uitgelegd aan de hand van het gekende voorbeeld van de witte en de zwarte zwanen. Het uitgangspunt hierbij is dat men de juistheid van de hypothese ‘alle zwanen zijn wit’ wilt nagaan. Om dit te doen kan men volgens Popper beter op zoek gaan naar voorbeelden die die hypothese weerleggen, dan naar voorbeelden die haar bevestigen. Eén zwarte zwaan is namelijk voldoende om de hypothese ‘alle zwanen zijn wit’ met grote zekerheid te weerleggen, terwijl zelfs honderdduizend witte zwanen niet volstaan om die hypothese met dezelfde grote zekerheid te bevestigen. Er kan namelijk steeds een zwarte zwaan opduiken of over het hoofd gezien zijn, waardoor de hypothese niet meer klopt. Precies omwille van de grotere zekerheid die falsificatie oplevert, oordeelde Popper dat hypothesen en theorieën pas wetenschappelijk genoemd mogen worden indien ze voorspellingen doen die weerlegbaar zijn. Nadat meneer Sall kort verklaart dat Marx’ theorie over de geschiedenis en Freuds psychoanalyse volgens Popper daarom niet wetenschappelijk zijn, vliegt een vogeltje het klaslokaal binnen. Het beestje installeert zich in de nok van het dak en begint onophoudelijk te kwetteren, wat voor grote hilariteit zorgt omdat de heer Salls woorden er onverstaanbaar door worden.

De aanzienlijke belangstelling voor filosofie in het laatste jaar van de middelbare school heeft uiteraard te maken met de invloed van de Franse traditie op het Senegalese onderwijssysteem. Reeds sinds de negentiende eeuw wordt in Senegal Franstalig onderwijs verstrekt. Het Frans is er vandaag de (enige) officiële landstaal en wordt niet langer als taal van de kolonisator, maar als onderdeel van het linguïstisch patrimonium beschouwd. Dat patrimonium is overigens immens. Momenteel zouden in Senegal zo’n achtendertig talen gesproken worden. Het Wolof is daarbij het meest verspreid en wordt door om en bij de veertig procent van de bevolking als moedertaal en door een nog groter deel als tweede of derde taal gesproken. Daarmee vormt het Wolof de belangrijkste lingua franca of voertaal tussen de verschillende etniciteiten, die elk hun eigen taal hebben (o.a. het Pulaar, Serer, Jola, Mandinka, Bambara). Ook het Frans fungeert in Senegal als lingua franca, maar wordt lang niet door iedereen gesproken. Volgens sommige bronnen slechts door zo’n vijftien tot twintig procent van de totale bevolking, voornamelijk in de steden.

Dat het Frans desondanks blijft voortbestaan als officiële landstaal is een delicate kwestie en heeft verschillende redenen. Zo zouden andere etniciteiten of taalgemeenschappen zich benadeeld voelen indien men op het Wolof zou overschakelen als officiële landstaal. Met zo’n overschakeling zou immers gepaard gaan dat alle staatsaangelegenheden zoals de administratie, het juridisch apparaat en het onderwijs niet langer in het Frans maar in het Wolof georganiseerd zouden worden, wat de Wolof-gemeenschap een groot voordeel zou opleveren in vergelijking met de andere gemeenschappen. Tevens lees je soms dat politieke leiders weigerachtig staan tegenover het resoluut vervangen van het Frans als officiële landstaal omdat het precies de beheersing van het Frans is die hen een vrij exclusieve toegang tot de macht verleent.

Net zoals in Frankrijk wordt de middelbare school in Senegal afgesloten met het Examen du Baccalauréat, waarvoor men dient te slagen om hogere studies te kunnen aanvangen. Dit baccalaureaatsexamen bestaat uit een reeks proeven voor verschillende vakken. In het kader daarvan dient de meerderheid van de Senegalese leerlingen ook een proef voor het vak filosofie af te leggen. De bedoeling van deze filosofische scholing is volgens de officiële leerplannen dat leerlingen vertrouwd raken met filosofie, dat ze een filosofische tekst kunnen begrijpen en dat ze deze vervolgens kunnen omzetten in hun eigen woorden. Daarnaast wordt onder meer beoogd dat leerlingen een degelijke argumentatie kunnen opbouwen, dat ze op basis daarvan een persoonlijk standpunt kunnen verdedigen, dat ze in staat zijn om de eigen ervaring of leefwereld in vraag te stellen en dat ze problemen vanuit verschillende perspectieven kunnen beschouwen.

De concrete thema’s die tijdens de les filosofie aan bod komen, beslaan vier grote domeinen: Filosofische Reflectie, Maatschappelijk Leven, Kennisleer en Esthetica. Zo wordt onder meer bediscussieerd wat filosofie is en wat de functies ervan zijn. Ook wordt besproken wat het verschil is tussen filosofie, wetenschap, geloof, mythe en magie, waarin het belang van de rede precies ligt en hoe men een logisch (in)correcte redenering kan herkennen. Men heeft het over het karakter van ‘de waarheid’, over de betekenis van vrijheid en over de wijze waarop het individu zich kan of moet verhouden tot de samenleving. Daarbij komen natuurlijk ook de grondslagen van de staat en de principes van het rechtssysteem aan bod. In de Esthetica ten slotte probeert men dan weer te achterhalen wat het mooie is en waaruit de artistieke ervaring bestaat, of wat het verschil vormt tussen werkelijkheid en kunst en wat de mogelijke functies van die laatste zijn.

Om dit soort thema’s te bespreken, doet men een beroep op boeiende en spraakmakende fragmenten uit het werk van grote filosofen zoals Aristoteles, Spinoza, Descartes, Kant, Marx, Nietzsche, Russell, enzovoort. In de cursus wordt ook opvallend veel ruimte ingebouwd voor Franse filosofen zoals Bachelard, Bataille, Ferry en Comte-Sponville. De klemtoon ligt met andere woorden op de westerse filosofie, maar ook uit de geschriften van diverse Afrikaanse denkers wordt geput. Enkele namen in dit opzicht zijn Marcien Towa, Tshiamalenga Ntumba, Amadou Mahtar Mbow, Cheikh Anta Diop, Mamadou Ndiaye, Alpha Amadou Sy, Abdou Sylla en Léopold Sédar Senghor, die vanaf de onafhankelijkheid in 1960 twintig jaar lang Senegalees president was. Deze Léopold Senghor (1906-2001) – dichter, vooraanstaand intellectueel en dus ook politicus – ontwikkelde vanaf de jaren dertig samen met enkele andere Afrikaanse intellectuelen de Négritude-filosofie, die fungeerde als een herwaardering van de Afrikaanse cultuur in de strijd tegen het koloniale racisme en de Europese dominantie. Het provocatieve begrip ‘négritude’, dat ook verschillende marxistische elementen bevat, zou later opgepikt en becommentarieerd worden door Jean-Paul Sartre, die het daarmee introduceerde bij de Europese intelligentsia.

Na een jaar lang intensief filosoferen, worden op het examen vragen gesteld als ‘Is het voldoende om voor zichzelf te denken indien men wilt filosoferen?, ‘Dient men immer de wetten na te leven?’, ‘Dankt de wetenschap haar vooruitgang aan de verificatiemethode?’ en ‘Is de ware kunstenaar diegene die het bewustzijn van het volk door elkaar schudt?’. Meestal wordt in het examen ook een tekstfragment geïntegreerd, dat door de leerlingen verklaard en becommentarieerd moet worden. Zo wordt geregeld een passage uit een dialoog van Plato of een citaat van Jean-Jacques Rousseau naar voren geschoven. Een tweetal jaar geleden werd op die manier trouwens een fragment uit het wetenschapsfilosofisch werk van de Belgische Isabelle Stengers en Ilya Prigogine gebruikt.

Mijn eigen ervaring als lesgever van een klein groepje leerlingen hier leidt me tot de vaststelling dat veel Senegalese jongeren in de klas beleefd en plichtsbewust, maar ook erg timide zijn. De meeste leerlingen voelen zich duidelijk beter bij het nauwgezet en desnoods eindeloos overschrijven van de zinnen die op het bord verschijnen, dan bij het publiekelijk etaleren van hun kennis. Als je hen in klasverband een vraag stelt, zijn ze in eerste instantie dikwijls te verlegen om hun ideeën zelfverzekerd en luidop uit te spreken. Soms denk ik dat die aarzeling te maken heeft met het feit dat ze in de klas het Frans hanteren, waarin ze iets minder vlot zijn aangezien het vaak hun moedertaal niet is. Maar leergierig zijn ze zeker en als je hen het nodige vertrouwen geeft, worden ze vanzelf moediger. Dan stijgt de participatie merkelijk en zie je ze blinken bij het geven van een goed antwoord.


Dit stuk verscheen eerder op DeWereldMorgen.be (16/06/2015)