Groot onderzoek naar burgerschapseducatie in het onderwijs. Zwakke resultaten, weinig nut? (Verkorte versie)

Burgerschap

Een paar dagen geleden brak Jonathan Holslag op de website van Knack een lans voor de ontwikkeling van sterk burgerschap, tegen passiviteit en onverschilligheid. Terecht, lijkt mij. Dit schooljaar wordt een internationaal onderzoek gevoerd naar burgerschapseducatie in het secundair onderwijs. Zes jaar geleden verrichtte men deze studie ook al eens en toen scoorde Vlaanderen zeer zwak. Wat gebeurde er destijds eigenlijk met de resultaten en welk nut zal het onderzoek deze keer dienen? Minister Smet, minister Crevits?

Via een grootschalig onderzoek zal men het komende jaar proberen te achterhalen hoe goed jongeren op school voorbereid worden om hun rol als burger in de samenleving op te nemen. Het onderzoek kadert in de International Civic and Citizenship Education Study 2016 (ICCS) en wordt wereldwijd in 28 landen uitgevoerd. In België beperkt het onderzoek zich tot het Nederlandstalig onderwijs, waardoor de resultaten enkel voor Vlaanderen en een deel van Brussel geldig zijn. De hele operatie wordt geleid door de KU Leuven, in opdracht van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. In 150 scholen zullen de 14-jarige leerlingen, hun leerkrachten en de directie bevraagd worden.

Op de begeleidende website staat te lezen dat het internationale karakter van het onderzoek de mogelijkheid biedt om Vlaanderen te vergelijken met ‘de andere deelnemende landen’. Zo kan de huidige aanpak van de burgerschapseducatie in Vlaanderen geëvalueerd worden en indien nodig bijgestuurd, luidt het vervolgens. Deze passage is des te interessanter indien men in herinnering brengt dat hetzelfde internationale onderzoek in 2009 ook reeds uitgevoerd werd en dat Vlaanderen toen zwak scoorde. We frissen het geheugen even op.

Zes jaar geleden werd aan de hand van een heel aantal schalen en bijhorende vragenlijsten gepeild naar de burgerschapscompetenties van 14-jarigen. Getest werd hoe zij scoren voor competenties zoals ‘algemene kennis en burgerzin’, ‘democratische waarden en attituden’ en ‘democratische vaardigheden’.

Daaruit bleek dat Vlaamse leerlingen op de kennisschaal gemiddeld niet slechter, maar ook niet beter dan hun Europese leeftijdsgenoten scoren. Eveneens bleek dat ze een eerder passieve en dus weinig activistische opvatting van burgerschap hebben.

Om te peilen naar de democratische waarden en attituden die jongeren aanhangen, werden voor het onderzoek vier schalen opgesteld. Enkel voor de schaal ‘houding ten opzichte van gendergelijkheid’ scoorde Vlaanderen rond het West-Europese gemiddelde. Op de schaal ‘houding ten opzichte van de rechten van etnische groepen’ scoorden Vlaamse 14-jarigen significant lager dan het internationale, het Europese en het West-Europese gemiddelde. Hetzelfde geldt voor ‘het geloof in democratische waarden’. Ook voor die schaal werd in Vlaanderen immers significant lager gescoord dan het internationale, het Europese en het West-Europese gemiddelde. Op de schaal ‘houding ten opzichte van de rechten van immigranten’ scoorden Vlaamse leerlingen niet alleen significant lager dan het internationale, het Europese en het West-Europese gemiddelde, tevens scoorde geen enkel land of regio op deze schaal lager dan Vlaanderen.

Om te peilen naar de democratische vaardigheden werden elf schalen opgesteld. Voorbeelden van die schalen zijn ‘interesse in politieke en sociale zaken’, ‘politiek zelfbeeld’ en ‘politieke discussie met vrienden en familie’. Opvallend is dat het Vlaamse gemiddelde in 2009 voor alle elf schalen significant onder het internationale gemiddelde en voor tien van de elf schalen significant onder het West-Europese gemiddelde lag.

Andere in het oog springende resultaten zijn dat slechts 30% van de Vlaamse 14-jarigen verklaarde ooit al actief deelgenomen te hebben aan een debat of discussie op school (t.o.v. 45% in West-Europa) en dat amper 31% van de Vlaamse leerlingen verklaarde dat de leerkrachten hen vaak aanmoedigen om hun eigen mening te verkondigen (t.o.v. 51% in West-Europa).

Frappant is ten slotte dat 24% van de Vlaamse schoolhoofden in 2009 aangaf dat burgerschapseducatie geen onderdeel vormt van het curriculum.

 

1045-460-Immigration, elllo

Op de schaal die peilt naar de houding ten opzichte van de rechten van immigranten scoorde geen enkel land of regio lager dan Vlaanderen.

 

Welk beleid?

In 2009 werd via de website van de Vlaamse Overheid aangekondigd dat het onderzoek bruikbare resultaten zou opleveren om een Vlaams beleid voor burgerschapseducatie en burgerzin uit te tekenen. Intussen kan men – zeker met de zwakke resultaten in het achterhoofd – de vraag stellen welk beleid er sinds 2009 daadwerkelijk uitgetekend werd. Van 2009 tot 2014 was de bevoegde minister Pascal Smet (sp.a), sinds 2014 is dat Hilde Crevits (CD&V).

Zoveel jaar na het eerste onderzoek staat het nieuwe onderzoek voor de deur en wordt wederom gerept over het evalueren en het bijsturen van de huidige aanpak. Het is daarom interessant om eens concreet na te gaan welke vorm het beleid momenteel eigenlijk heeft, of het recentelijk wijzigingen onderging en wat de visie erop is. Burgerschapseducatie is immers een actueel thema dat ons als samenleving aanbelangt. De relevantie ervan mag niet onderschat worden, het onderwijs van vandaag herbergt de maatschappij van morgen.

Dus beste beleidsmakers, oud-verantwoordelijke Pascal Smet en huidig minister van Onderwijs Hilde Crevits, verlicht ons over uw motieven, strategieën en verrichtingen ter zake.

De grote lijnen van het huidige beleid schetsen we in afwachting zelf al even, we vinden ze namelijk online. Sinds 1997 valt burgerschapseducatie onder de zogenoemde vakoverschrijdende eindtermen (VOET). Deze VOET werden gecreëerd als vangnet voor waardevolle en maatschappelijk relevante thema’s die niet of nauwelijks aan bod komen in de eindtermen van de afzonderlijke vakken. De ontwikkeling van burgerschap en burgerzin is dus niet gekoppeld aan één welbepaald vak, maar vormt – zeker in theorie – de verantwoordelijkheid van alle leerkrachten, die elk op hun manier en vanuit hun eigen vakgebied een bijdrage leveren. Aan de VOET werd door de overheid geen resultaatsverplichting, maar een inspanningsverplichting gekoppeld. Dit wil zeggen dat aan de vakoverschrijdende eindtermen geen te behalen resultaat verbonden werd, zoals bij de reguliere vakken wel het geval is, maar dat van scholen verwacht wordt dat zij een inspanning leveren om ze na te streven. Wat dat precies betekent, is natuurlijk erg onduidelijk. Wel weten we dat scholen over een grote autonomie beschikken om te bepalen op welke manier, hoe vaak, door welke mensen en in welke lessen er rond de VOET gewerkt wordt.

Welke invulling?

Voor onze vragen over het overheidsbeleid, de visie erop en de evolutie ervan richtten we ons in dit stuk tot de verantwoordelijke minister(s). Voor een inzicht in de concrete wijze waarop het huidige beleid rond burgerschapseducatie vandaag in de praktijk gebracht wordt, dienen we ons echter niet te wenden tot de minister, maar tot de scholen zelf. Dat deden we dan ook. Een indruk daarvan verschijnt binnenkort.

 

(Deze tekst vormt de ingekorte versie van een uitgebreider artikel)