Groot onderzoek naar burgerschapseducatie in het onderwijs. Zwakke resultaten, weinig nut?

Dit schooljaar wordt een internationaal onderzoek gevoerd naar burgerschapseducatie in het secundair onderwijs. Zes jaar geleden verrichtte men deze studie ook al eens en toen scoorde Vlaanderen zeer zwak. Wat gebeurde er destijds eigenlijk met de resultaten en welk nut zal het onderzoek deze keer dienen? Minister Smet, minister Crevits?

Via een grootschalig onderzoek zal men het komende jaar proberen te achterhalen hoe goed jongeren op school voorbereid worden om hun rol als burger in de samenleving op te nemen. Het onderzoek kadert in de International Civic and Citizenship Education Study 2016 (ICCS) en wordt wereldwijd in 28 landen uitgevoerd. In België beperkt het onderzoek zich tot het Nederlandstalig onderwijs, waardoor de resultaten enkel voor Vlaanderen en een deel van Brussel geldig zijn. De hele operatie wordt geleid door de KU Leuven, in opdracht van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. In 150 scholen zullen de 14-jarige leerlingen, hun leerkrachten en de directie bevraagd worden.

Op de begeleidende website staat te lezen dat het internationale karakter van het onderzoek de mogelijkheid biedt om Vlaanderen te vergelijken met ‘de andere deelnemende landen’. Zo kan de huidige aanpak van de burgerschapseducatie in Vlaanderen geëvalueerd worden en indien nodig bijgestuurd, luidt het vervolgens. Deze passage is des te interessanter indien men in herinnering brengt dat hetzelfde internationale onderzoek in 2009 ook reeds uitgevoerd werd en dat Vlaanderen toen zwak scoorde. We frissen het geheugen even op.

Tijdens het schooljaar 2008-2009 werden in Vlaanderen zo’n 3.000 leerlingen uit het tweede middelbaar en bijna 2.000 leerlingen uit het vierde middelbaar bevraagd. Het onderzoek werd toen niet door de KU Leuven gevoerd, maar door de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Antwerpen. Daarvoor werden, net zoals dit jaar, 150 scholen van verschillende grootte en uit de verschillende netten en provincies geselecteerd.

Zes jaar geleden vond dit ‘internationale onderzoek naar burgerzin en burgerschapsopvoeding’ niet in 28, maar in 38 landen of regio’s plaats, waarvan 25 Europese. Daarnaast participeerden zes Midden- en Zuid-Amerikaanse landen, vijf Aziatische landen en regio’s en ten slotte Nieuw-Zeeland en de Russische Federatie. In totaal namen wereldwijd meer dan 140.000 leerlingen deel, ruim 60.000 leerkrachten en 5.100 schoolhoofden.

Destijds werd via de website van de Vlaamse Overheid aangekondigd dat het onderzoek bruikbare resultaten zou opleveren om een Vlaams beleid voor burgerschapseducatie en burgerzin uit te tekenen. Intussen kan men – zeker met de zwakke resultaten in het achterhoofd – de vraag stellen welk beleid er sinds 2009 daadwerkelijk uitgetekend werd. Van 2009 tot 2014 was de bevoegde minister Pascal Smet (sp.a), sinds 2014 is dat Hilde Crevits (CD&V).

We weten dat de resultaten van het onderzoek uit 2009 pas eind november 2010 gerapporteerd en beschikbaar gesteld werden. De laatste actualisering van de vakoverschrijdende eindtermen – waarvan in Vlaanderen alle heil verwacht wordt m.b.t. burgerschapseducatie – dateert echter al van september 2010. We kunnen ons dus afvragen of men bij die actualisering rekening kon houden met de zwakke Vlaamse score en de specifieke pijnpunten.

Burgerschap, burgerschapseducatie en het onderzoek ernaar

In de brochure Vlaanderen in ICCS 2009, waarin de resultaten van het onderzoek worden voorgesteld en toegelicht, wordt terecht opgemerkt dat men minstens twee verschillende opvattingen van burgerschap kan onderscheiden.[1] In de eerste ligt de nadruk op individuele rechten en vrijheden. Aanhangers van deze opvatting pleiten doorgaans voor een minimalistische staat, waarin niet het gemeenschappelijk, maar het individueel belang centraal staat. Publieke participatie is er een recht en zeker geen plicht. In de tweede opvatting van burgerschap ligt de nadruk daarentegen op de plichten en de verantwoordelijkheden die burgers hebben ten aanzien van de samenleving en het gemeenschappelijk belang.

In de meeste definities van burgerschap worden elementen van beide opvattingen verenigd: het belang van individuele rechten en vrijheden wordt bevestigd, maar eveneens wordt erkend dat burgerschap gepaard gaat met verbondenheid, verantwoordelijkheid en een aantal plichten naar de gemeenschap toe.

In het verlengde daarvan schoof de werkgroep ‘Education of democratic citizenship’ van de Raad van Europa de volgende definitie van burgerschapseducatie naar voor: The set of practices and activities aimed at making young people and adults better equipped to participate actively in democratic life by assuming and exercising their rights and responsibilities.[2]

Binnen de context van het onderwijs vertaalt men deze opvattingen van burgerschap en burgerschapseducatie veelal naar ‘burgerschapscompetenties’. Met het oog op leerprocessen worden deze competenties onderverdeeld in cognitieve, affectieve en actiegebonden competenties. In overeenstemming daarmee werd in de International Civic and Citizenship Education Study van 2009 via verschillende vragenlijsten gepeild naar:

1. Algemene kennis en burgerzin (cognitieve competentie)
2. Democratische waarden en attituden (affectieve competentie)
3. Democratische vaardigheden (actiegebonden competentie)

Opgeteld zouden de scores die door leerlingen behaald werden voor deze competenties een goed inzicht verschaffen in de mate waarin zij voorbereid zijn (en worden) om democratisch burgerschap op te nemen. We werpen een blik op de resultaten uit 2009 en doen daarvoor een beroep op het Vlaams eindrapport van de International Civic and Citizenship Education Study en de brochure Vlaanderen in ICCS 2009, beide in 2010 opgesteld door onderzoekers Saskia De Groof, Eva Franck, Mark Elchardus en Dimokritos Kavadias en gericht aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Kennis

Op de kennisschaal behaalde Vlaanderen in 2009 een score van 514, wat significant hoger is dan het internationale gemiddelde van 500. De Vlaamse score verschilde echter niet significant van het Europese en het West-Europese gemiddelde. Qua kennis presteerden Vlaamse leerlingen dus niet slechter, maar ook niet beter dan hun Europese leeftijdsgenoten.

Ook werd onderzocht welk belang Vlaamse 14-jarigen hechten aan conventioneel burgerschap en aan georganiseerd sociaal burgerschap. Met de term conventioneel burgerschap verwijst men naar het stemmen tijdens de verkiezingen, het volgen van de politiek via de media, het voeren van politieke discussies, enzovoort. Sociaal burgerschap verwijst dan weer naar het participeren in specifieke maatschappelijke activiteiten, bijvoorbeeld in het kader van nieuwe sociale bewegingen. In 2009 bleek dat Vlaamse leerlingen aan beide vormen van burgerschap gemiddeld minder belang hechten dan hun internationale, Europese en West-Europese leeftijdsgenoten.

Tevens bleek dat Vlaamse 14-jarigen een eerder passieve opvatting van burgerschap hebben. Zij beschouwen het stemmen bij de verkiezingen en het respecteren van wetten en overheidsvertegenwoordigers als kenmerken van goed burgerschap. Daarnaast blijkt de goede burger volgens Vlaamse 14-jarigen ook een ‘sociaal ingestelde persoon’ te zijn, die anderen respecteert en mensen helpt die het minder goed getroffen hebben. Actief sociaal protest en actieve politieke betrokkenheid zoals het volgen van de politiek in de media en het voeren van politieke discussies, worden in vergelijking met andere landen dan weer veel minder als kenmerken van goed burgerschap beschouwd. De opvatting die Vlaamse 14-jarigen in 2009 hadden van goed burgerschap was daarom minder activistisch dan die van hun Europese leeftijdsgenoten.

Democratische waarden

Om te peilen naar de democratische waarden en attituden die jongeren aanhangen, werden vier schalen met bijhorende vragenlijsten opgesteld:

  • De houding ten opzichte van gendergelijkheid
  • De houding ten opzichte van de rechten van etnische groepen
  • Het geloof in democratische waarden
  • De houding ten opzichte van de rechten van immigranten

Voor de eerste schaal ‘houding t.o.v. gendergelijkheid’ verschilde de Vlaamse score niet significant van de andere West-Europese scores. In het onderzoeksverslag staat te lezen dat Vlaamse 14-jarigen overwegend vinden dat vrouwen op de arbeidsmarkt, in de politiek en in het dagelijks leven op dezelfde manier behandeld moeten worden als mannen, dat ze dezelfde kansen moeten krijgen en dezelfde rechten moeten hebben.

Op de schaal ‘houding ten opzichte van de rechten van etnische groepen’ scoorde Vlaanderen significant lager dan het internationale, het Europese en het West-Europese gemiddelde. Een gelijkaardig resultaat werd opgetekend voor ‘het geloof in democratische waarden’. Ook daarvoor scoorden Vlaamse leerlingen significant lager dan het internationale, het Europese en het West-Europese gemiddelde.

Op de vierde schaal, die peilt naar de houding ten opzichte van de rechten van immigranten, scoorden Vlaamse 14-jarigen niet enkel significant lager dan het internationale, het Europese en het West-Europese gemiddelde. Tevens is het zo dat geen enkel land of regio op deze schaal lager scoorde dan Vlaanderen. Eén van de indicatoren voor deze schaal is bijvoorbeeld dat slechts 49% van de Vlaamse 14-jarigen, nauwelijks de helft dus, vond dat immigranten de mogelijkheid moeten hebben om hun eigen taal te blijven spreken (t.o.v. 70% in West-Europa).

Een andere vaststelling die in het Vlaams Eindrapport van de International Civic and Citizenship Education Study te lezen staat, is dat leerlingen uit het ASO zich in 2009 over het algemeen positiever opstelden tegenover immigranten dan leerlingen uit het BSO en het TSO.

 

1045-460-Immigration, elllo

Op de schaal die peilt naar de houding ten opzichte van de rechten van immigranten scoorde geen enkel land of regio lager dan Vlaanderen.

Democratische vaardigheden

Om de vaardigheden en de bereidheid om actief deel te nemen aan het politieke proces te testen, werden voor het onderzoek elf schalen met bijhorende vragenlijsten opgesteld:

  • Interesse in politieke en sociale zaken
  • Politiek zelfbeeld
  • Zelfevaluatie van burgerschapsdoeltreffendheid
  • Politieke discussie met vrienden en familie
  • Participatie in burgerschapsgerelateerde activiteiten of organisaties buiten de school
  • Toekomstige burgerschapsgerelateerde participatie als jongere
  • Toekomstige politieke participatie als volwassene
  • Verwacht electoraal gedrag
  • Verwachte participatie aan toekomstig legaal protest
  • Attituden ten opzichte van het eigen land
  • Vertrouwen in de instellingen

Een eerste opvallende vaststelling is dat het Vlaamse gemiddelde in 2009 voor alle elf schalen onder het internationale gemiddelde lag. Voor tien van de elf schalen lag het Vlaamse gemiddelde ook significant onder het West-Europese gemiddelde. De enige schaal waarop Vlaamse 14-jarigen beter scoorden dan hun West-Europese leeftijdsgenoten is de schaal ‘Participatie van leerlingen in burgerschapsgerelateerde organisaties buiten de school’. De hogere score voor deze schaal is voornamelijk te danken aan één bepaald item binnen deze schaal, namelijk ‘Participatie in organisaties die geld inzamelen voor een goed doel’. 60% van de Vlaamse leerlingen uit het tweede middelbaar zei dit wel eens gedaan te hebben, wat veel meer is dan het internationale en het West-Europese gemiddelde. Voor alle andere items binnen deze schaal scoorden Vlaamse leerlingen vervolgens weer lager dan het internationale en het West-Europese gemiddelde.

Ook frappant is dat 71% van de Vlaamse leerlingen verklaarde nooit of bijna nooit met hun ouders te praten over politieke en sociale kwesties (ten opzichte van 53% in West-Europa). Slechts 23% gaat akkoord met de stelling ‘Ik zal als volwassene deel kunnen nemen aan de politiek (t.o.v. 43% in West-Europa) en amper 53% gaf aan zich in de toekomst zeker of waarschijnlijk te informeren over de kandidaten voor de verkiezingen (t.o.v. 75% in West-Europa).

Vlaanderen scoorde met andere woorden erg zwak voor de schalen die peilen naar de eigen vaardigheden om actief aan het politieke proces te kunnen deelnemen.

Leerlingenparticipatie

Aan de hand van de International Civic and Citizenship Education Study 2009 werd ook gepeild naar de mate waarin leerlingen participeren aan burgerschapsgerelateerde activiteiten op school. Volgens diverse studies zou burgerschapseducatie op school vooral effectief zijn door de manier waarop de school georganiseerd is. Een open klas- en schoolklimaat, bijvoorbeeld, vergroot de mogelijkheden tot participatie en stimuleert op die manier de ontwikkeling van burgerschap.[3]

In Vlaanderen zijn secundaire scholen verplicht om een leerlingenraad op te richten als minstens 10% van de leerlingen daar om vraagt. Die verplichting vervalt echter als leerlingen op een andere manier kunnen participeren. Op de website van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming lezen we dan ook dat bijna elke secundaire school over een leerlingenraad of een andere vorm van leerlingenparticipatie beschikt.[4] Dit neemt echter niet weg dat slechts 30% van de Vlaamse 14-jarigen in 2009 verklaarde ooit al actief deelgenomen te hebben aan een debat of discussie op school (ten opzichte van 45% in West-Europa). 41% van de Vlaamse 14-jarigen had in 2009 niet het gevoel dat leerkrachten hen vaak aanmoedigen om een eigen mening te vormen (t.o.v. 46% in West-Europa). Daarnaast verklaarde amper 31% van de Vlaamse leerlingen dat de leerkrachten hen vaak aanmoedigen om hun eigen mening te verkondigen (t.o.v. 51% in West-Europa).

Opvallend is dat Vlaamse leerlingen op de schaal ‘Perceptie van de zinvolheid van leerlingenparticipatie’ wél op het internationale en het West-Europese gemiddelde scoorden en zelfs significant hoger dan het Europese gemiddelde. Enerzijds lijken Vlaamse leerlingen participatie op school dus wel zinvol te vinden, anderzijds blijken ze in de praktijk niet in grote mate te participeren

Burgerschapseducatie in Vlaanderen

In het Vlaams onderwijs bestaat er geen apart vak ‘Burgerschap’, maar wordt de ontwikkeling van burgerschap en burgerzin beschouwd als een vakoverschrijdende eindterm. In theorie wordt burgerschapseducatie beschouwd als een taak van de hele school en van iedere individuele leerkracht. In overeenstemming daarmee gaf 83% van de Vlaamse scholen in 2009 aan dat burgerschapsopvoeding het resultaat is van de schoolcultuur, een cijfer dat ver boven het internationale en het Europese gemiddelde ligt. Wel verklaarde 77% van de Vlaamse schooldirecteurs dat burgerschapseducatie in de praktijk verschaft wordt door de leerkrachten humane wetenschappen. Opvallend is echter dat ook 24% van de Vlaamse schoolhoofden in 2009 aangaf dat burgerschapseducatie geen onderdeel vormt van het curriculum.

Vervolgens werd bij leerkrachten en directeurs gepeild naar hun perceptie van de belangrijkste doeleinden van burgerschapseducatie. Keuzemogelijkheden waren:

  • Het bevorderen van kennis over sociale, politieke en burgerlijke instituties
  • Het bevorderen van respect en zorg voor het milieu
  • Het bevorderen van vaardigheden om de eigen mening te verkondigen
  • Het ontwikkelen van vaardigheden en competenties om conflicten op te lossen
  • Het bevorderen van kennis over de rechten en plichten als burger
  • Het bevorderen van de participatie van leerlingen in de lokale gemeenschap
  • Het bevorderen van kritisch en onafhankelijk denken bij de leerlingen
  • Het bevorderen van de participatie van leerlingen aan het schoolleven
  • Het ondersteunen van de ontwikkeling van effectieve strategieën om racisme en xenofobie te bestrijden
  • Het voorbereiden van leerlingen op toekomstig politiek engagement

Als belangrijkste doeleinden van burgerschapseducatie kozen Vlaamse leerkrachten en directeurs het vaakst voor 1) ‘het bevorderen van kritisch en onafhankelijk denken bij jongeren’, 2) ‘het ontwikkelen van vaardigheden en competenties om conflicten op te lossen’ en 3) ‘het bevorderen van respect en zorg voor het milieu’.

Verschil KSO, BSO, ASO, TSO

Doordat men in Vlaanderen niet enkel 3000 leerlingen uit het tweede middelbaar, maar ook 2000 leerlingen uit het vierde middelbaar bevroeg, was het achteraf mogelijk om na te gaan of er eventueel een evolutie in de ontwikkeling van burgerschap vast te stellen is.

Indien we eerst naar het verschil tussen de verschillende onderwijsvormen in het tweede middelbaar kijken, zien we dat er tussen de A-stroom en de B-stroom in 2009 geen significant verschil bestond met betrekking tot de schaal ‘burgerschapsvaardigheden’ (die opgebouwd werd uit ‘het belang van conventioneel burgerschap’ en ‘politiek zelfbeeld’). Met betrekking tot de schaal ‘democratische houdingen’ zien we wel een significant verschil. Zo stonden Vlaamse 14-jarigen uit de A-stroom positiever t.o.v. gendergelijkheid en waren ze minder etnocentristisch dan 14-jarige leerlingen uit de B-stroom.

Als we vervolgens de resultaten van het tweede middelbaar vergelijken met die van het vierde middelbaar, lijkt het dat leerlingen uit het ASO, voor de schalen die onderzocht werden, een significante vooruitgang boeken tussen het tweede en het vierde middelbaar, terwijl leerlingen uit het BSO voor verschillende indicatoren een achteruitgang laten optekenen. Dit laatste geldt volgens het Vlaams eindrapport van de International Civic and Citizenship Education Study eveneens voor leerlingen uit het TSO en het KSO, maar wel in mindere mate.[5] De verschillende onderwijsvormen lijken dus uit elkaar te groeien naarmate leerlingen ouder worden en hogere jaren bereiken.

Antwoord

Waaraan de zwakke Vlaamse resultaten precies te wijten zijn, is moeilijk te bepalen. Het is zeker niet noodzakelijk zo dat scholen tekortschieten in hun opdracht. Wel blijkt dat ze hoe dan ook een positieve bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van burgerschap, onder meer door de mogelijkheden tot leerlingenparticipatie te vergroten en door een open klas- en schoolklimaat te creëren. Een doorgedreven leerlingenparticipatie en een open klas- en schoolklimaat hebben namelijk een positief effect op de verwerving van burgerschapscompetenties, maar zijn in Vlaanderen niet zo sterk aanwezig als elders, leren de ICCS-bevindingen. In het verlengde daarvan mag men in het Vlaams onderwijs gerust meer aandacht besteden aan het stimuleren van leerlingen om een eigen mening te vormen én te verkondigen, bijvoorbeeld in discussies en debatten. Voor die aspecten scoorde Vlaanderen in 2009 immers heel wat lager dan het internationale en het Europese gemiddelde. Vermoedelijk bestaat er op dit vlak dus nog een ruime marge voor verbetering.

Of burgerschapseducatie het meeste kans op slagen heeft via een specifiek vak ‘Burgerschap’ of daarentegen via een vakoverschrijdende aanpak, zoals dat vandaag in Vlaanderen het geval is, laten onderzoekers zoals De Groof, Franck, Elchardus en Kavadias in het midden. In principe bestaat er geen ‘juiste’ of ‘beste’ aanpak, stelden zij in 2010.[6] Iedere benadering kent volgens hen voor- en nadelen.

Welk beleid?

In 2009 verkondigde de Vlaamse overheid uitdrukkelijk dat het ICCS-onderzoek bruikbare resultaten zou opleveren om een Vlaams beleid voor burgerschapseducatie uit te tekenen. Zoveel jaar na datum wordt op de begeleidende website van het nieuwe, aanstaande onderzoek andermaal gerept over het evalueren en het bijsturen van de huidige aanpak. Het is dan ook interessant om eens concreet na te gaan welke vorm het beleid momenteel eigenlijk heeft, of het recentelijk wijzigingen onderging en wat de visie erop is. Zeker met de zwakke resultaten van het laatste onderzoek in het achterhoofd. Burgerschapseducatie is immers een actueel thema dat ons als samenleving aanbelangt. De relevantie ervan mag niet onderschat worden, het onderwijs van vandaag herbergt de maatschappij van morgen.

Dus beste beleidsmakers, oud-verantwoordelijke Pascal Smet en huidig minister van Onderwijs Hilde Crevits, verlicht ons over uw motieven, strategieën en verrichtingen ter zake.

De grote lijnen van het huidige beleid schetsen we in afwachting zelf al even, we vinden ze namelijk online. Sinds 1997 valt burgerschapseducatie onder de zogenoemde vakoverschrijdende eindtermen (VOET). Deze VOET werden gecreëerd als vangnet voor waardevolle en maatschappelijk relevante thema’s die niet of nauwelijks aan bod komen in de eindtermen van de afzonderlijke vakken. De ontwikkeling van burgerschap en burgerzin is dus niet gekoppeld aan één welbepaald vak, maar vormt – zeker in theorie – de verantwoordelijkheid van alle leerkrachten, die elk op hun manier en vanuit hun eigen vakgebied een bijdrage leveren. Aan de VOET werd door de overheid geen resultaatsverplichting, maar een inspanningsverplichting gekoppeld. Dit wil zeggen dat aan de vakoverschrijdende eindtermen geen te behalen resultaat verbonden werd, zoals bij de reguliere vakken wel het geval is, maar dat van scholen verwacht wordt dat zij een inspanning leveren om ze na te streven. Wat dat precies betekent, is natuurlijk erg onduidelijk. Wel weten we dat scholen over een grote autonomie beschikken om te bepalen op welke manier, hoe vaak, door welke mensen en in welke lessen er rond de VOET gewerkt wordt.

Welke invulling?

Voor onze vragen over het overheidsbeleid, de visie erop en de evolutie ervan richtten we ons in dit stuk tot de verantwoordelijke minister(s). Voor een inzicht in de concrete wijze waarop het huidige beleid rond burgerschapseducatie vandaag in de praktijk gebracht wordt, dienen we ons echter niet te wenden tot de minister, maar tot de scholen zelf. Dat deden we dan ook. Een indruk daarvan verschijnt binnenkort.


Noten

1 De Groof, Elchardus, Franck en Kavadias, 2010, p. 9.
2 Birzea, 1996, geciteerd in De Groof, Franck, Elchardus en Kavadias, 2010, p. 14.
3 De Groof, Elchardus, Franck en Kavadias, 2010, p. 24.
4 Onderwijs Vlaanderen, s.d.
5 De Groof, Franck, Elchardus en Kavadias, 2010, p. 103.
6 De Groof, Franck, Elchardus en Kavadias, 2010, p. 183.

Bronnen

De Groof, S., Franck, E., Elchardus, M., Kavadias, D., 2010. Burgerschap bij 14-jarigen. Vlaanderen in Internationaal perspectief. Vlaams eindrapport van de International Civic and Citizenship Education Study voor het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, VUB/UA. [pdf] beschikbaar: http://homepages.vub.ac.be/~dkavadia/Burgerschap%20bij%2014-jarigen_ICCS%20Eindrapport_21-01.pdf [geraadpleegd op 5 september 2015].

De Groof, S., Elchardus, M, Franck, E., Kavadias, D., 2010, International Civic and Citizenship Education Study (ICCS). Vlaanderen in ICCS 2009. Brochure voor het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming., VUB/UA. [pdf] beschikbaar: http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/links/iccs/Brochure_ICCS_2010_v2_HR.pdf [geraadpleegd op 5 september 2015].

Onderwijs Vlaanderen, s.d., Ouderraad, leerlingenraad en schoolraad. [pdf] beschikbaar: http://onderwijs.vlaanderen.be/ouderraad-leerlingenraad-en-schoolraad [geraadpleegd op 5 september 2015].