Van Parijs over Rawls. Voor rechtvaardigheid moet gestreden worden.

Philippe Van Parijs

Eerder deze maand bracht Belgisch filosoof Philippe Van Parijs een bezoek aan De Markten voor een lezing over het denken van de Amerikaanse filosoof John Rawls, die beroemd werd met zijn theorie over rechtvaardigheid. Op uitnodiging van denktank Liberales sprak Van Parijs er voornamelijk over zijn persoonlijke contact en zijn meningsverschillen met Rawls en over de toekomst van de Europese Unie.

Van Parijs opende zijn voordracht met een anekdote. We vernamen dat hij een aantal jaar geleden getuige was van een gesprek tussen Herman Van Rompuy, destijds voorzitter van de Europese Raad, en Jürgen Habermas, één van de meest vooraanstaande filosofen van vandaag. Tijdens dat gesprek, dat ging over de Europese Unie, haar politieke instellingen en haar economisch beleid, ontstond naar verluidt onenigheid tussen Van Rompuy en Habermas over de prioriteit die hetzij aan input legitimacy, hetzij aan output legitimacy verleend moet worden. Terwijl het eerste concept verwijst naar de democratische organisatie van de politieke instellingen, verwijst het tweede concept naar de performantie van die instellingen. Simpeler verwoord luidt het dat democratische instellingen doorgaans log en langzaam zijn, terwijl iets minder democratische instellingen soms sneller en efficiënter functioneren. Men hoeft het trage democratische besluitvormingsproces namelijk niet af te wachten om beslissingen te nemen en te implementeren. De vraag is dan ook waar politieke leiders de voorkeur aan dienen te geven en waar de legitimiteit van een systeem het meest uit voortvloeit: het democratische gehalte van de instellingen (‘input legitimacy’) of het concrete resultaat dat behaald wordt en de maatschappij ten goede komt (‘output legitimacy’). Volgens Van Parijs valt voor beide standpunten iets te zeggen, indien men tenminste de nodige nuance aanbrengt. Dit korte relaas van de discussie tussen Habermas en Van Rompuy werd door Van Parijs aangegrepen om te verwijzen naar de woorden van de Franse markies en filosoof de Condorcet (1743-1794): La première règle de la politique? C’est d’être juste. La seconde? C’est d’être juste. Et la troisième? C’est encore d’être juste.

Rechtvaardigheid dus. Maar wat is nu precies (sociale) rechtvaardigheid? Aan deze vraag wijdde John Rawls (1921-2002) zowat zijn hele oeuvre, waarmee hij misschien wel de meest geciteerde politiek filosoof van de twintigste eeuw werd. Volgens Rawls kan een rechtvaardige inrichting van de samenleving het best ontworpen worden via een gedachte-experiment, meer bepaald achter een sluier van onwetendheid. Daarmee bedoelde hij dat we ons, wanneer we nadenken over sociale rechtvaardigheid, moeten verplaatsen in een hypothetische, ‘oorspronkelijke’ situatie, waarin we niet weten welke positie we zullen innemen in de maatschappij. We weten met andere woorden niet over welke talenten of eigenschappen we in die maatschappij zullen beschikken, welke etnische achtergrond we meedragen, welk beroep we zullen uitoefenen, of we arm of rijk zullen zijn, gelovig of ongelovig, hoogopgeleid of laaggeschoold, etc. Van achter deze sluier der onwetendheid dienen we vervolgens een rechtvaardige basisstructuur uit te tekenen van de samenleving waarin we willen leven. Die basisstructuur verwijst naar de organisatie van alle maatschappelijke instellingen waarmee de geproduceerde welvaart verdeeld wordt. Op die manier worden we ertoe aangezet om een inrichting van de samenleving te bedenken waarmee we allen zouden instemmen zonder dat we weten welke maatschappelijke positie we achteraf daadwerkelijk zullen innemen. Uit eigenbelang wordt dan met alle mogelijke posities rekening gehouden, dacht Rawls. Iedereen heeft namelijk evenveel kans om in die maatschappij terecht te komen als vrouw, man, havenarbeider, verpleegster, leerkracht, bankier, arts, werkloze, ondernemer, ambtenaar, gepensioneerde, gefortuneerde, christen, moslim, atheïst, alleenstaande, migrant, student, etc. Zo kan men ten slotte tot een invulling van rechtvaardigheid komen die alle maatschappelijk posities op redelijke wijze in acht neemt en die billijk is voor iedereen.

Het verschilprincipe

Aangezien Van Parijs’ voordracht geen echte introductie tot het werk van Rawls betrof, werd geen volwaardig overzicht verschaft van de voornaamste elementen uit zijn denken. Wel somde Van Parijs heel kort drie principes op die belangrijk zijn in Rawls’ theorie over rechtvaardigheid. Een eerste principe stelt dat een zo uitgebreid mogelijk aantal rechten en vrijheden voor iedereen gegarandeerd moet zijn, zoals onder andere het recht op vrije meningsuiting, de vrijheid van vereniging en politieke deelname. Dit uiteraard in die mate dat de vrijheid van anderen er niet door ingeperkt wordt. Een tweede principe stelt dat alle functies in een maatschappij even toegankelijk moeten zijn voor mensen met dezelfde capaciteiten en een gelijke motivatie. Een derde cruciale pijler uit Rawls’ theorie is het verschilprincipe. Dat stelt dat sociale en economische ongelijkheid slechts aanvaardbaar is als die ongelijkheid in het voordeel is van iedereen en meer bijzonder in het voordeel van de zwaksten. In principe dient de maatschappelijke welvaart volgens Rawls immers gelijk verdeeld te worden, tenzij een ongelijke verdeling iedereen nog meer ten goede zou komen. Een ongelijke samenleving kan volgens Rawls dus pas rechtvaardig zijn indien de zwakste groepen er door die ongelijkheid het meest op vooruitgaan en hun levensstandaard er hoger is dan in een andere samenleving – bijvoorbeeld een volstrekt egalitaire – het geval zou zijn.

Ontmoeting en briefwisseling met Rawls

Van Parijs herhaalde hiermee een aantal cruciale punten uit Rawls’ rechtvaardigheidstheorie, maar had het vervolgens voornamelijk over zijn meningsverschillen en zijn persoonlijke contact met Rawls. Beiden ontmoetten elkaar in 1998, toen Van Parijs als gastprofessor lesgaf aan de Amerikaanse universiteit Yale. Rawls was toen reeds zo ziek dat Van Parijs er enigszins van schrok. De vermaarde filosoof was niet meer de rijzige man die hij ooit geweest was en verplaatste zich voortaan in een rolstoel. Een goed spreker en debater was hij niet meer, maar dat was hij eigenlijk nooit echt geweest, bekende Van Parijs.

Op het moment van hun ontmoeting werkte Rawls aan zijn boek The Law of Peoples, dat uiteindelijk in 1999 verscheen. Van Parijs had het manuscript gelezen en bediscussieerde het een aantal uren lang met Rawls. Hij stoorde zich namelijk aan het idee dat de invulling van rechtvaardigheid en de inrichting van de samenleving best gekoppeld kunnen worden aan een min of meer afgebakend ‘volk’ [people], zoals Rawls leek te beweren. Als Europeaan en als Belg had Van Parijs daar heel wat problemen mee. De Europese context is namelijk veel diverser dan de Amerikaanse. Alleen al in België kan men zich evengoed lid voelen van het Europese, het Belgische, het Vlaamse, het Waalse en zelfs het Brusselse ‘volk’. Op het Europese lappendeken is het concept ‘volk’ dan ook helemaal niet zo eenduidig. Meer zelfs, door rechtvaardigheid en solidariteit te koppelen aan een afgebakend volk, zou men het streven naar een Europese solidariteit compleet kunnen ontmoedigen. De Belgische solidariteit zou er zelfs volstrekt mee ondermijnd worden, aldus Van Parijs, die Rawls hierover achteraf een lange brief schreef.

Rawls beantwoordde deze brief uitvoerig en schreef onder meer dat een volk volgens zijn theorie helemaal niet zo homogeen moet zijn als Van Parijs vreesde. Het is in de praktijk immers zelden het geval dat een volk echt homogeen is. Rawls, die duidelijk bezorgd was over Van Parijs’ interpretatie, stelde dat hij het begrip ‘volk’ slechts gebruikte om de complexiteit van de realiteit te vereenvoudigen, maar dat zijn theorie zeker ook toepasselijk is voor multiculturele samenlevingen.

Overige thema’s

Deze vierde John Rawls lezing werd bij momenten erg letterlijk ingevuld door Van Parijs, die verschillende passages uit zijn briefwisseling met Rawls namelijk integraal voorlas. Enerzijds was dat interessant omwille van de authenticiteit, anderzijds waren die fragmenten soms wat lang en niet altijd gemakkelijk te volgen. Een aantal boeiende thema’s werd weliswaar aangesneden, maar om er dieper op in te gaan ontbrak de tijd, wat typisch is voor lezingen. Zo kaartte Van Parijs het Europese grensbeleid bijvoorbeeld aan. Hij vroeg zich luidop af of de politieke filosofie zich niet wat meer met het concept van grenzen an sich moet bezighouden, naast het klassieke bestuderen van de politieke instellingen binnen de grenzen. Wat zijn immers grenzen, waar liggen ze precies en wat betekenen ze concreet?

In het verlengde daarvan stelde Van Parijs de vraag of er vanuit distributief oogpunt best een Europees volk geschapen kan worden, of dat het daarentegen beter zou zijn om de Europese volkeren verder te verdelen in kleinere gemeenschappen. Men dient in dat verband te debatteren over de manier waarop de welvaart in Europa het best verdeeld kan worden: onder alle Europese burgers alsof ze in één land wonen en aan de hand van Rawls’ verschilprincipe, of via een duty of assistance, een soort van bijstandsplicht, waarbij min of meer afzonderlijke maatschappijen de plicht hebben om bijstand te verlenen aan andere maatschappijen die zich niet op eigen kracht kunnen doorontwikkelen. Voorts viel op te tekenen dat het volgens Van Parijs vandaag nog weinig zin heeft om het over een egalitaire invulling van rechtvaardigheid op nationaal niveau te hebben. Men moet volgens hem ambitieuzer durven zijn en zoeken naar een globale toepassing daarvan.

Een ander onderwerp dat door Van Parijs werd aangesneden, was de dominante invloed van de markt op het Europese continent. Met betrekking daartoe vroeg Van Parijs zich af of we in onze context van een eengemaakte markt en muntunie niet een instantie op Europees niveau nodig hebben, die de markt kan controleren. Zonder zo’n orgaan zijn alle kleinere democratische niveaus immers onderworpen aan de markt, wat de Europese culturele diversiteit in gevaar brengt, aldus Van Parijs. Die diversiteit kan volgens hem dus gevrijwaard worden door het creëren en versterken van een machtig en doortastend overkoepelend niveau, een politieke unie, waar de demos heerst en waaraan de markten onderworpen zijn. Ook Rawls was deze mening overigens toegedaan, voerde Van Parijs aan.

Engels als lingua franca

Terwijl Van Parijs een lans brak voor het beschermen van de Europese culturele diversiteit (weliswaar binnen de context van een sterke Europese politieke unie), pleitte hij tegelijk ook voor een snelle verspreiding van het Engels als lingua franca. Het bestaan van relatief strikt gescheiden taalgemeenschappen, zoals dat vandaag in Europa het geval is, leidt er immers toe dat mensen zelden geconfronteerd worden met opinies die leven binnen andere taalgemeenschappen. De media bedienen slechts het eigen publiek en kunnen andere gemeenschappen makkelijk negeren en zonder enige terughoudendheid stereotyperen. Men mikt toch niet op dat anderstalige publiek en men dient er nauwelijks verantwoording aan af te leggen. Dit draagt natuurlijk niet bij tot het wederzijds begrip en tot een constructieve dialoog. Bijzonder kwalijk is volgens van Parijs ook dat het solidariteitsgevoel tussen de gemeenschappen erg klein is. Mensen die geen taal delen, voelen zich niet echt verbonden met elkaar. Om al deze redenen is het volgens hem cruciaal dat het Engels volledig doorbreekt als lingua franca, zodat alle Europese burgers met elkaar in gesprek kunnen gaan. Dat steeds meer mensen dit tegenwoordig reeds kunnen, stemt Van Parijs hoopvol voor de toekomst.

Maar, drukte hij ons ten slotte op het hart, los van deze taalkwestie komt een grotere sociale rechtvaardigheid niet zomaar uit de lade van een kantoor of uit de boekenkast van een filosoof gevallen. Neen, daarvoor moet stevig gestreden worden.


Dit stuk verscheen eerder op DeWereldMorgen.be (29/10/2015)