Waarom modern burgerschapsonderwijs niet paternalistisch is

In het opiniestuk met de eigenaardige titel ‘Onze jongeren zijn geen randdebielen of woeste dieren’ (De Morgen, 13/4) schopt moraalfilosofe Petra Van Brabandt wild om zich heen. Aanleiding voor haar verbolgenheid is het ‘pakketje waarden’ rond burgerschap dat minister Crevits in de eindtermen wil integreren. Met ‘de nieuwe voorstellen’ is het paternalisme terug en degradeert Crevits de leerkrachten tot nieuwe priesters die de blijde boodschap moeten verkondigen, aldus Van Brabandt. Laten we de zaken in perspectief plaatsen.

We beginnen met de feiten. Wat zijn die vermaledijde ‘nieuwe voorstellen’ die Van Brabandt zo tegen de borst stuiten? Welnu, al meerdere jaren wordt op Europees niveau onderzoek verricht naar burgerschapscompetenties bij jongeren. Aansluitend werd recentelijk door meer dan 1.200 leerkrachten en andere onderwijsexperten uit heel Europa een competentiekader rond burgerschap opgesteld. Dit kader bevat 20 kerncompetenties: waarden, attitudes, vaardigheden en kennis/kritisch denken. Minister Crevits wil dit competentiekader nu uittesten in de praktijk, lezen we op haar website. Op basis van de resultaten van de testfase kan het kader vervolgens aangepast worden. Het kan daarnaast ook dienen als bron van inspiratie in het momenteel gevoerde debat over de eindtermen op Vlaams niveau, luidt het eveneens in een persbericht van 11 april. Het gaat hier met andere woorden helemaal niet over het invoeren van een simpel ‘pakketje waarden’, zoals Van Brabandt de zaken voorstelt.

Waarom komt minister Crevits net nu naar buiten met dit initiatief? Is hier misschien sprake van steekvlampolitiek (excusez le mot) na de gebeurtenissen in Brussel? Wel neen, zo lijkt het niet. Achter de schermen werkt men immers al langer aan dit project. Naar verluidt werd maanden geleden reeds vastgelegd dat de Conferentie van Onderwijsministers op 11 en 12 april zou plaatsvinden in Brussel. Minister Crevits gaf er de openingsspeech. Wel kunnen we aannemen dat een aantal politieke leiders dit initiatief nu aangrijpt en voorstelt als maatregel in de strijd tegen extremisme. Vermoedelijk kwam het hele proces daardoor ook in een stroomversnelling. Is het daarom erg dat binnenkort meer aandacht wordt besteed aan burgerschapscompetenties in het onderwijs? Neen. Wel is het jammer dat we er zo lang op moesten wachten.

Het zou eveneens spijtig zijn indien men het hele concept van burgerschapsonderwijs nu louter gaat begrijpen als een dam tegen extremisme. Het zou zelfs ronduit oneerlijk zijn om het te beschouwen als uniek recept tegen radicalisering en homegrown terrorisme. Dat is het namelijk niet. Wie die hoop koestert, zal bedrogen uitkomen. De grootste meerwaarde van doorgedreven burgerschapsonderwijs ligt in de eerste plaats elders.

Meerwaarde

Het onderwijs heeft de ambitie om jongeren voor te bereiden op hun toekomstige rol in de samenleving. Die samenleving is democratisch georganiseerd en dat biedt allerlei mogelijkheden. Mogelijkheden die vaak onderbenut blijven en dat is jammer. Een levendige, sterke democratie beperkt zich immers niet tot het stemhokje. Burgers denken er mee, communiceren met elkaar, hebben inspraak en participeren. Democratische waarden worden er vertaald naar attitudes, formele rechten omgezet in de praktijk, initiatieven van onderuit genomen. Dat dit een moeilijke oefening is, staat vast.

Doorgedreven burgerschapsonderwijs, via een apart vak of vakoverschrijdend, verschaft jongeren de broodnodige ruimte om te experimenteren met democratische structuren en praktijken. Tijdens hun schoolcarrière kunnen zij zich de competenties eigen maken die nodig zijn om de democratische mogelijkheden maximaal aan te grijpen in hun volwassen leven. Wil dit zeggen dat iedereen een ‘actieve burger’ moet worden? Natuurlijk niet. Wel verdient iedere jongere de kans om zich tot een geïnformeerde en actieve burger te kunnen ontwikkelen.

Volgens Van Brabandt lijkt extra aandacht voor burgerschapsonderwijs echter niet nodig. Zij vindt burgerschapseducatie paternalistisch. Ik ben het daar fundamenteel mee oneens. Het is allesbehalve paternalistisch om jongeren te leren dat hun stem ertoe doet, om hen te laten oefenen in het formuleren van een mening, om hen te laten debatteren en dialogeren met elkaar, om hen te stimuleren in het opkomen voor hun eigen rechten, om hen daadwerkelijk te laten participeren en hen initiatieven te laten nemen, om hen verantwoordelijkheid te geven en hen, misschien wel het belangrijkste van allemaal, op al deze vlakken successen te laten boeken in hun eigen kleine omgeving. Ik vind dat het tegenovergestelde van paternalisme.

Voor Van Brabandt lijkt het allemaal overbodig. Jongeren weten immers ‘heel goed’ wat democratie ‘in concreto’ betekent. Zij zijn immers geen ‘randdebielen of woeste dieren’, ‘hebben de boot van de beschaving niet gemist’ en zijn ‘gesocialiseerd’. Als filosofe zou Van Brabandt moeten weten dat zelfs de grootste politieke denkers hun tanden stukbeten op de vraag wat democratie nu eigenlijk betekent of zou moeten betekenen. Er zomaar vanuit gaan dat jongeren dit heel goed weten is lichtzinnig en nalatig.

Van Brabandt gelooft niet in extra burgerschapsonderwijs en ‘oneerlijke lessen’. Zij vindt dat we allemaal wat meer moeten ‘radicaliseren’. Democratie is namelijk een zaak voor radicalen en niet voor pacifisten, stelt zij. Elke democratische vooruitgang die in het verleden geboekt werd, was immers het resultaat van strijd. Het is slechts door die strijd en het radicaal in de praktijk brengen van de waarden die we koesteren, dat de democratie versterkt zal worden, volgens haar. Van Brabandts voortdurende klemtoon op de noodzaak tot radicalisering is opmerkelijk, maar wel goedbedoeld. Volgens haar knelt het schoentje bij het in de praktijk brengen van de waarden die we in theorie aanhangen. Net zoals zij denk ook ik dat we nog veel progressie kunnen boeken op het vlak van het vertalen van theoretische standpunten naar concrete attitudes en handelingen. Maar net dat is de oefening waarmee we in het onderwijs vandaag nog niet zo sterk vertrouwd worden gemaakt.

Verbeeldingskracht

Uiteindelijk geeft ook Van Brabandt toe dat ze het een fantastisch idee vindt om met jongeren te praten over gelijkheid, democratie en vrije meningsuiting. Ze zou dan passioneel vertellen over de geschiedenis van de sociale strijd, de spanning tussen democratische en economische belangen, de Panama Papers, de vluchtelingencrisis, de afbraak van de sociale verworvenheden, de loonkloof, de stereotypering van vrouwen en nog veel meer. Maar zouden lessen rond burgerschap dan geen perfecte gelegenheid vormen om dit soort zaken uitvoerig aan bod te laten komen? Mevrouw Van Brabandt lijkt gek genoeg te denken dat de extra uren burgerschapsonderwijs louter gevuld zullen worden met het droge afratelen van waarden en met het eindeloos papegaaien van rechten en wetten. Dat duidt op een stuitend gebrek aan verbeeldingskracht bij de docente. En wijst dat er overigens niet op dat de introductie van zo’n competentiekader rond burgerschap, met de focus op kennis, kritisch denken, attitudes én vaardigheden, erg nuttig zou blijken als leidraad en instrument?


Dit stuk verscheen ook bij De Morgen.