Heroïne voor de stadsgeest

Iedere stad heeft zo zijn geesten, maar Brussel telt er veel. Gelaten gaan ze door de straten, zowel ‘s nachts als overdag. Waar ze precies vandaan komen, blijft een goed bewaard geheim, althans toch voor de meesten. Vaak liggen ze te slapen in portieken op een bedje van karton. Of zitten ze te schooien naast een bank of automaat, in lotushouding onder een dekentje, het opgehouden bekertje paraat. Geesten van de stad gaan schraal gekleed in bevlekte broeken en ongewassen jassen. Soms zelfs met kapotgeknipte schoenen, opdat ze toch maar zouden passen. Vriendelijk zijn ze doorgaans wel, die zonderlinge zielen van de straat. Lonkend naar een cent of sigaret wenden ze zich tot het mooie volk op de terrassen. Men vertelt dat ze flink drinken en immer verkeren in beschonken stemming. Je ziet ze zelf toch lallend zwalpen, niet gehinderd door de minste remming. Toch lijkt de welgestelde stedeling deze lui niet te bemerken. Hij loopt ze vlot voorbij, zonder blik of knik, alsof de stadsgeest hem ontglipt. De pendelaar vermijdt de vieze vogels dan weer met een brede boog. Hij vindt ze veel te excentriek, met dat akelige aanzicht en dat warrige betoog.

Als huisbewaarder van een gemeenschapscentrum in het hartje van de stad, zie ik de Brusselse diversiteit in haar verschillende facetten. Van Braziliaanse fuiven, Afrikaanse feesten en Berberse buffetten, tot de oefensessies van enkele Vlaamse majoretten. Ook Bollywood- en breakdance, tai chi en stadsbiografie vinden hier plaats. En theater, tango, yoga, debatten, taalles en pilates. Ik krijg hier met andere woorden zo goed als alles over de vloer. Maar dus ook stadsgeesten, zoals die ene die hurkend z’n behoefte deed in de struiken op de binnenkoer. Menig stadsgeest beschikt niet eens over een eigen toilet. En aangezien de meeste deuren voor hem op slot blijven, rept hij zich ijlings naar De Markten in de hoop dat hij het redt. Inderdaad, dat zorgt voor ongemakkelijke situaties, dat heeft u goed geraden. Ik ben dit jaar dan ook een paar keer fiks verbaasd geweest. Misschien nog wel het allermeest door een kleine vrouwelijke stadsgeest.

In de herfst van vorig jaar leerde ik Alicia kennen als een nietig, schichtig vrouwtje van een jaar of veertig. Met een rood gekloofd gezicht, vette haren, ingevallen wangen en opmerkelijke kleren, baande ze zichzelf dagelijks een weg door de gebouwen. Hardop ijlend tegen dove muren, zocht ze haar vaste stek in de toiletten voor de vrouwen. Om te wassen en te plassen, maar ook om zich te warmen aan de walmen van goedkope heroïne, die ze ‘s avonds chinezend kwam inhaleren om daarna de nacht naast een wc-pot te spenderen. Talloze keren kwam ik haar tijdens de sluitingsronde tegen. En telkens zat ze dan geruisloos in een op slot gedraaid toilet te hopen dat ik haar niet zou opmerken en we elkaar zouden mislopen. Ik klopte dan doorgaans bescheiden op de deur, wachtend op reactie die niet noodzakelijk kwam. En als ik na een aantal pogingen nog steeds niets uit het schimmige hok vernam, sprak ik haar naam, zonder mijn stem overdreven te verheffen. In het ongewisse over wat ik binnen zou aantreffen, moest ik de deur dan zelf ontgrendelen van aan mijn kant. Daar sta je dan ‘s nachts flink te wezen in een groot verlaten pand. Een paar verdiepingen hoog, angstvallig oog in oog met een op slot gedraaide deur, geen zuchtje of geluid, maar wel brandend licht en een misselijkmakend penetrante geur.

Op zo’n moment zorgt de spanning eerst voor wat getreuzel en verlamming, maar als je hand finaal toch naar de klink beweegt, voel je vanbinnen alleen adrenaline. Bang voor het vinden van een door ellende aangevreten lijk, draaide ik het slot om en liet dan de deur gauw openzwaaien. Waarop de somberte me prompt in het gezicht kwam aanwaaien. Luguber lag Alicia languit op een groezelige vloer, het hoofd onbeweeglijk naast de porseleinen toiletafvoer. Of ze dood of toch nog levend was, kon ik niet meteen bepalen. Maar het leek alsof de thuisloze zich fors was komen laven, om zich daarna in de vergetelheid van een desolaat wc-hok te begraven. Verstoord door de onrust die ik veroorzaakte, werd de stakker uiteindelijk weer wakker. Iets later richtte ze zich op met al haar spullen in de hand. En keek ik geschrokken toe hoe de ontheemde me suf voorbijliep en de kille nacht in beende. Bij het verjagen van zo’n wandelend geraamte, past eigenlijk alleen maar schaamte. Maar je vertelt jezelf dat je de kennis mist om hiermee te dealen, dat zo’n vrouw door jou niet echt geholpen wordt en je haar op lange termijn toch niets kunt bieden. Nee, voor die haveloze lieden en die laveloze gekken bestaan er ongetwijfeld betere instanties en aangewezen plekken.

Dus bel je naar het straathoekwerk om het probleem te signaleren. Je vertelt over Alicia en dat ze steeds maar blijft terugkeren. Dat ze het toilet als bed en bad gebruikt, verhitte smack snuift tot ze half de pijp uit gaat, soms haar eigen jas doet smeulen of doodgewoon haar schoenen achterlaat. Met dat onverkwikkelijks gaat de sociaal werker daarna dan aan de slag. Hij poogt de stadsgeest in het straatbeeld te traceren, informeel een band te smeden en hem of haar tot het aanvaarden van wat hulp te overreden. Zo’n proces kan maanden of zelfs jaren duren. Het gaat immers over het bouwen van vertrouwen en het slopen van mentale muren. Maar evengoed over structuren, kantooruren en lange wachtlijsten voor ontwenningskuren.

Veel later in de lente leek Alicia plots verdwenen, nadat ze dagen niet meer in De Markten was verschenen. Eerst lucht dat op en voelt het als bevrijding, vervolgens gaat het knagen en stel je je een aantal pertinente vragen: waar schuilt het zielig mensje en kom je ze nog tegen? Wat zou er aan de hand zijn en is ze nog in leven?

Uiteindelijk werden we door de straathoekwerker ingelicht. Sinds een tijdje was Alicia in een centrum opgenomen, luidde het bericht. Maanden verder in de zomer liep ik haar plots opnieuw tegen het lijf. Met charmante kleren, bolle wangen en hygiënisch kortgeknipte haren, stond ze me verlegen lachend, maar parmantig aan te staren. Compleet verrezen als een feniks wist ze helder te vertellen, dat ze was vertrokken uit het rijk der dolende halfdoden en dat ze binnenkort in een appartementje zou gaan wonen. Het leven heeft wel vaker verrassingen in huis. Soms grote, anders kleine, dikwijls zure of beroerde, maar veel te weinig zulke fijne.

Ik vraag me af hoe het tegenwoordig met haar gaat en of ze intussen niet opnieuw beland is op de straat. Hoe zal ze straks het winterweer verteren en zie ik haar hier nog terugkeren? Wel durf ik te beweren dat Alicia’s opzienbarende verrijzenis geen wonder of mirakel is, maar het resultaat van hard labeur in de sociale sector, waar men dagelijks aan de slag gaat met de donkerste verhalen uit de kieren en de spleten van het stadsdecor.

Daarom hulde aan de straathoekwerker, die de samenleving inclusiever maakt en het sociale weefsel sterker. Hij of zij treedt amper voor het voetlicht, maar naait in de schaduw noest de mazen van het net dicht. Of toch zoveel mogelijk, afhankelijk van draagkracht en beschikbare budgetten. Zijn dit dan niet de jobs waarop we nog een tikje meer moeten inzetten? Als vitamine voor de stadsgeest. En daarmee bedoel ik niet die ene, maar wel de algemene.

stadsgeesten-try
De Markten

De naam Alicia werd verzonnen.

Personeelsleden van De Markten stonden de hele periode in contact met de betrokken straathoekwerker(s).